ECLI:NL:RBDHA:2025:8716

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2025
Publicatiedatum
19 mei 2025
Zaaknummer
NL24.15588
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Hanssen-Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 64 Vw 2000Art. 6:19 AwbArt. 8:72 AwbArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing afwijzing asielaanvraag Tadzjiekse politieke vluchteling

Eisers, afkomstig uit Tadzjikistan en politiek actief geweest, vroegen asiel aan in Nederland. De minister wees hun aanvraag af wegens onvoldoende aannemelijkheid van een reëel risico op vervolging of ernstige schade bij terugkeer. Eisers gingen in beroep en werden aanvullend gehoord. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bepaalde bewijsstukken, zoals een brief van de Tadschikische Gesellschaft Nur, niet zijn meegewogen. Hierdoor is het beroep gegrond verklaard en zijn de besluiten vernietigd.

Desondanks laat de rechtbank de rechtsgevolgen van de besluiten in stand, omdat de aanvullende motivering van de minister in het verweerschrift en tijdens de zitting voldoende is om het gebrek te herstellen. De rechtbank concludeert dat eisers geen verblijfsvergunning asiel krijgen, omdat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in negatieve aandacht staan van de autoriteiten of een reëel risico lopen op ernstige schendingen.

De rechtbank behandelt uitgebreid de geloofwaardigheid van het asielrelaas, waaronder de politieke activiteiten van eiser, de omstandigheden van onderduiken, oproepen door politie, en documenten zoals overlijdensakte en verklaringen van derden. Ook wordt ingegaan op de regio Gorno-Badakhshan en de politieke situatie aldaar. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de meeste bezwaren heeft verworpen en dat het beroep slechts deels slaagt op procedurele gronden.

De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten aan eisers. De uitspraak is gedaan door rechter Hanssen-Telman en griffier Derks en is openbaar gemaakt op 19 mei 2025. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Beroep gegrond verklaard, besluiten vernietigd, rechtsgevolgen in stand gelaten, geen verblijfsvergunning toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.15588

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

geboren op [geboortedatum 1]
nationaliteit: [Tadzjiekse 1]
V-nummer
:[v-nummer 1]

en

[eiseres] , eiseres

geboren op [geboortedatum 2]
nationaliteit: [Tadzjiekse 2]
V-nummer
:[v-nummer 2]

en hun kinderen

[eisers]

,
V-nummers: [v-nummer 3]
en (gemachtigde: mr. J. Sinnema),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] de minister
(gemachtigde: mr. J.R. Sotthewes-de Jonge).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvraag. Eisers hebben op 27 juli 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 14 maart 2024 deze aanvraag in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond als bedoeld in artikel 31, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarnaast is bepaald dat eisers geen verblijfsvergunning regulier krijgen en evenmin uitstel van vertrek krijgen op grond van artikel 64 Vw Pro 2000. Ook is aan eisers een terugkeerbesluit opgelegd waarin staat dat zij binnen vier weken Nederland moeten verlaten.
1.1.
Op 10 april 2024 zijn eisers in beroep gegaan. Vervolgens hebben eisers gronden van beroep ingediend.
1.2.
Op 26 juni 2024 heeft de minister verzocht om aanhouding van het beroep, omdat hij eiser nader wenst te horen. De rechtbank heeft dit verzoek gehonoreerd. Eiser is op 8 augustus 2024 aanvullend gehoord. Op 19 november 2024 heeft de minister een aanvullend besluit genomen. Het beroep is met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege ook gericht tegen het aanvullend besluit.
1.3.
De rechtbank heeft eisers in staat gesteld om op het aanvullend besluit te reageren. Eisers hebben daartoe aanvullende gronden ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025 op zitting behandeld. Eiser, eiseres en hun oudste zoon zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Ter zitting was ook een tolk aanwezig. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is, maar laat de rechtsgevolgen van de besluiten in stand. Dat betekent dat eisers voor een deel gelijk krijgen, maar dat de afwijzing van hun asielaanvraag gehandhaafd blijft en zij geen verblijfsvergunning krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Het asielrelaas van eiseres en de kinderen is afhankelijk van het relaas van eiser. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag.
Eiser is afkomstig uit [Pamir] , regio Gorno-Badakhshan en hij heeft daar tot 1989 gewoond. In zijn studententijd in Dushanbe heeft eiser demonstraties bijgewoond. Zijn vader en broer hebben politieke activiteiten verricht. Eisers broer is in 2009 gedood door de autoriteiten vanwege zijn politieke activiteiten. Eiser heeft toen, nadat hij is mishandeld door de autoriteiten, een verklaring moeten ondertekenen dat zijn broer een natuurlijke dood is gestorven. Daarna is hij vrijgelaten en is hij naar Rusland vertrokken, tot 2012. In 2012 is eiser uitgezet naar Tadzjikistan, waarna hij problemen kreeg met de autoriteiten. Eiser is vastgehouden en gemarteld. Hij is vrijgekomen nadat zijn familie geld heeft betaald. In 2013 is eiser een eigen zaak gestart, maar ook daar is hij lastig gevallen door de autoriteiten en afgeperst. Eiser is tot 2006 sympathisant geweest van de Democratische Partij Tadzjikistan. Na 2006 is hij sympathisant geworden van de Nohazat-I-Islami Partij (ook genaamd de Islamic Renaissance Party of Tadzjikistan, IRPT). Eiser heeft voor deze partij handtekeningen verzameld en geld ingezameld. Eiser heeft ook familieleden van gevangenen geholpen
.Eiser heeft vanwege zijn politieke activiteiten en herkomst uit Pamir problemen ondervonden van corrupte krachten binnen de autoriteiten. Vanaf 2015 zijn eisers problemen toegenomen, omdat de Islamitische partij werd verboden.
Op 10 april 2017 heeft eiser een oproep ontvangen van de autoriteiten om te verschijnen vanwege zijn connecties met de oppositiepartijen. Eiser heeft zich gemeld en hij is vastgehouden en mishandeld. Uiteindelijk is eiser vrijgelaten door omkoping. Na zijn vrijlating is eiser ondergedoken en heeft hij weer een oproep ontvangen. Ook is gebleken dat een werknemer van zijn winkel is opgepakt. Hierna heeft hij zijn huis verkocht en het land legaal verlaten.
Het besluit van 14 maart 2023
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Politieke activiteiten;
- Problemen vanwege politieke activiteiten.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Ook acht de minister het geloofwaardig dat eiser politieke activiteiten heeft verricht. De minister acht echter ongeloofwaardig dat eiser problemen heeft ondervonden vanwege zijn politieke activiteiten. De minister concludeert dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt.
Aanvullend horen
6. Op 8 augustus 2024 is eiser aanvullend gehoord over het element uiting na terugkeer om te kunnen beoordelen of er sprake is van gegronde vrees vanwege eisers voornemen of wens politiek gemotiveerde activiteiten te ontplooien dan wel zijn politieke opvattingen te uiten na terugkeer naar Tadzjikistan. Ook is eiser gehoord over zijn afkomst uit Pamir, regio Gorno-Badakhshan.
Het aanvullend besluit van 19 november 2024
7. In het aanvullend besluit blijft de minister bij het standpunt dat hij geloofwaardig acht dat eiser politieke activiteiten heeft verricht. Ook acht de minister geloofwaardig dat eiser familieleden van gedetineerden hulp bood. De problemen die eiser stelt te hebben ervaren vanwege zijn politieke activiteiten in Tadzjikistan acht de minister niet geloofwaardig. Het is daarom niet aannemelijk dat eiser bij de autoriteiten te boek staat als politiek activist. De minister acht het ongeloofwaardig dat eiser zich na terugkeer naar Tadzjikistan politiek wil uiten en politieke activiteiten wil verrichten.
Het is niet geloofwaardig dat eiser gevaar loopt vervolgd te worden door de Tadzjiekse autoriteiten, enkel vanwege het feit dat hij geboren is in de regio Gorno-Badakhshan. Hij behoort niet tot de sjiitische minderheid. Evenmin is het aannemelijk dat eiser dat risico wel loopt, omdat hij in het verleden politiek actief was. Daarover is in het eerdere besluit al overwogen dat eiser niet, door de door hem ontplooide activiteiten, in de negatieve belangstelling van de Tadzjiekse overheid staat.
Verklaringen over vrijlating na eerste oproep
8. Eiser voert in beroep aan dat er sprake is van een motiveringsgebrek. Eiser heeft - via een vriend - iemand omgekocht die hem zou helpen vrij te komen. Er was geen garantie dat hij zou vrij komen. Hoe dit precies in zijn werk is gegaan, is ook niet in detail aan eiser verklaard.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe eiser zijn vrijlating na de eerste oproep heeft bewerkstelligd, De minister heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom iemand die eiser niet kent zoveel risico voor eiser zou nemen. Dat in Tadzjikistan nu eenmaal veel omkoping voorkomt en dat dit ook uit openbare bronnen naar voren komt, laat onverlet dat de minister van eiser heeft mogen verlangen dat hij door concrete verklaringen inzicht geeft in hoe zijn vrijlating in zijn werk is gegaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Verklaringen over onderduiken
9. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld dat hij in een fabriek zat ondergedoken en dus niet bij familie of vrienden. Er is sprake van een motiveringsgebrek.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet kan worden ingezien waarom eiser zou onderduiken bij familie of vrienden nu dit plekken zijn waar eiser traceerbaar is voor de autoriteiten. Dat de minister niet expliciet heeft vermeld dat eiser ondergedoken zat in een fabriek en er daarom sprake is van een motiveringsgebrek volgt de rechtbank niet. In het bestreden besluit heeft de minister immers vermeld dat eiser via een goede vriend zat ondergedoken in de fabriek. De minister heeft in dit verband mogen verwijzen naar hetgeen eiser heeft verklaard in zijn nader gehoor, namelijk dat hij gedurende ongeveer vier en halve maand bij een goede vriend verbleef in een koekfabriek en dat hij door die vriend af en toe ergens naartoe werd gebracht. De minister heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd uiteengezet dat niet valt in te zien hoe eiser door deze wijze van onderduiken uit het zicht van de autoriteiten dacht te kunnen blijven. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Verband tussen arrestatie eisers collega en zijn eigen problemen
10. Eiser voert ook aan dat er niet slechts sprake is van vermoedens en aannames als het gaat over het verband tussen de arrestatie van eisers collega en eisers eigen problemen. Eisers collega had immers dezelfde opvattingen als eiser. Er is sprake van een motiveringsgebrek.
10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser alleen vermoedens en aannames heeft geuit over het gestelde verband tussen de arrestatie van eisers collega en zijn eigen problemen en dat hij deze vermoedens en aannames niet heeft onderbouwd. De minister heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd uiteengezet dat eiser heeft verklaard dat hij via horen zeggen heeft vernomen dat zijn collega na zijn arrestatie door familie is vrijgekocht en daarna weer is opgepakt. Hij vermoedt enkel dat de arrestatie te maken heeft gehad met eisers problemen, maar heeft dit vermoeden niet onderbouwd. Eiser wordt daarom niet gevolgd in zijn beroepsgrond.
Legale uitreis
11. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte niet inziet dat eiser niet meer weet over de gang van zaken rondom zijn legale uitreis. Wat hij weet over de uitreis heeft hij naar voren gebracht en veel is ook geregeld door een vriend van hem.
11.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet ten onrechte het standpunt ingenomen dat eiser vage verklaringen heeft afgelegd over zijn legale uitreis en over de vraag hoe hij aan de paspoorten is gekomen. Eiser heeft enkel de bedragen genoemd die hij stelt te hebben betaald voor de paspoorten en verder heeft eiser alleen melding gemaakt van ‘mensen’ die hij stelt te hebben omgekocht en dat ‘een vriend‘ hem heeft geholpen om aan de paspoorten te komen. Niet ten onrechte heeft de minister eiser niet gevolgd in zijn stelling dat hij al voordat zijn problemen zijn ontstaan al bezig was met het verkrijgen van paspoorten en voor foto’s naar het paspoortkantoor is gegaan. Eiser heeft tijdens het nader gehoor van 5 december 2022 immers verklaard dat hij al problemen had toen hij de paspoorten voor zichzelf en zijn gezin ging aanvragen en pasfoto’s moest laten maken. Dat door problemen met de tolk de vertaling niet goed is verlopen, heeft de minister niet hoeven volgen nu eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard de tolk goed te hebben begrepen. Evenmin heeft eiser in de correcties en aanvullingen aangegeven dat er sprake is geweest van miscommunicatie met de tolk dan wel dat de vertaling op dit punt niet juist is geweest. Ook deze beroepsgrond kan niet slagen.
Oproep van de politie
12. Eiser heeft verder aangevoerd dat nu de authenticiteit van de oproep van de politie niet kan worden vastgesteld, uitgegaan dient te worden van de echtheid van het document. Uit de oproep blijkt dat eiser zich moet melden. Dit onderbouwt, volgens eiser, dat hij bij terugkeer problemen zal ondervinden vanwege zijn politieke activiteiten, welke door de minister geloofwaardig zijn geacht.
12.1.
De rechtbank stelt vast dat de oproep van de politie op echtheid is onderzocht door Bureau Documenten en dat er een onregelmatigheid in de oproep is aangetroffen. Gebleken is dat er een wijziging is aangetroffen in het jaartal van de datum op het document. Deze onregelmatigheid is echter niet aan eiser tegengeworpen en de minister heeft evenmin gesteld dat er sprake is van een vals document. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich - desondanks - niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het document niet kan bijdragen aan de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas. Uit het document blijkt immers niet waarom eiser zich moet melden. Dat eiser zich moet melden vanwege zijn politieke activiteiten is enkel gebaseerd op vermoedens van eiser. Dat eiser bij terugkeer een gevangenisstraf van 23 jaar boven het hoofd hangt, heeft de minister evenmin aannemelijk behoeven te achten op basis van dit document omdat dit niet uit de oproep blijkt. De beroepsgrond dat de oproep onderbouwt dat eiser bij terugkeer problemen zal ondervinden vanwege zijn politieke activiteiten slaagt daarom niet.
Onderzoek naar overlijdensakte broer
13. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de minister ten onrechte de overlijdensakte van zijn broer niet op echtheid heeft onderzocht. De akte toont het overlijden van zijn broer aan en vormt een begin van bewijs van eisers asielrelaas, aldus eiser. Er is sprake van een motiveringsgebrek.
13.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de overlijdensakte van eisers broer niet kan bijdragen aan de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde problemen. De akte zegt enkel iets over het overlijden van eisers broer, maar niets over de toedracht en de oorzaak van het overlijden. Op grond hiervan heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het document geen begin van bewijs vormt van de door eiser gestelde problemen als gevolg van zijn politieke activiteiten. Een onderzoek naar de echtheid van het document zou niet af kunnen doen aan deze conclusie. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Verklaring Civil Committee
14. Eiser heeft een verklaring van de Civil Committee overgelegd. Uit deze verklaring blijkt volgens eiser dat hij bij terugkeer een risico loopt op een onmenselijke behandeling en langdurige gevangenschap. Deze verklaring in samenhang met eisers verklaringen onderbouwen eisers problemen bij terugkeer. Door zich hier onvoldoende rekenschap van te geven, is er sprake van een motiveringsgebrek.
14.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden stelt dat eisers vrees dat hij bij terugkeer een risico loopt op een onmenselijke behandeling en een langdurige gevangenschap niet blijkt uit de verklaring van de Civil Committee. De verklaring is op eisers verzoek opgesteld en is algemeen verwoord. Uit het document blijkt niet waarom eiser persoonlijk gevaar loopt en zou moeten vrezen voor een onmenselijke behandeling.
De minister heeft niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd het standpunt ingenomen dat deze verklaring niet kan bijdragen aan de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Brief van Tadschikische Gesellschaft Nur van 20 maart 2022
15. Eiser heeft in beroep een brief overgelegd van de Tadschikische Gesellschaft Nur (hierna: Nur) van 20 maart 2022. In deze brief wordt door de voorzitter van de Nur bevestigd dat eiser vanwege zijn politieke activiteiten en houding door de Tadzjiekse autoriteiten zal worden vervolgd en dat hem een gevangenisstraf van 23 jaar boven het hoofd hangt. Bij de correcties en aanvullingen van 22 november 2022 heeft eiser ook een brief van Nur van 27 april 2022 overgelegd met een vergelijkbare inhoud.
15.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister in zijn verweerschrift aangeeft dat de in beroep overgelegde brief van de Nur is gedateerd op 20 maart 2022 en eiser niet eerder melding heeft gemaakt van deze brief. De minister vindt het vreemd dat eiser eerst in beroep melding maakt van deze brief; temeer nu de brief ruim drie jaar na data wordt ingebracht en ook door eiser niet wordt uitgelegd waarom de brief niet eerder is ingebracht. In het verweerschrift en ter zitting is de minister verder gemotiveerd ingegaan op de inhoud van de brief van Nur.
15.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is het eerst in het verweerschrift en ter zitting reageren op de brieven van Nur onvoldoende en niet zorgvuldig nu eiser al bij zijn correcties en aanvullingen een brief van Nur heeft ingebracht. Hoewel de tweede brief van Nur eerst in beroep is overgelegd, heeft de minister in het bestreden besluit noch in het aanvullend besluit gereageerd op de eerste brief van Nur terwijl deze al wel was overgelegd. Het beroep tegen het bestreden besluit is om vorenstaande reden gegrond en het bestreden besluit en het aanvullend besluit worden om die reden vernietigd. De rechtbank beoordeelt hierna of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven, waarbij de motivering uit het verweerschrift en de toelichting zoals gegeven ter zitting worden meegenomen.
15.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich in het verweerschrift en ter zitting niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het niet duidelijk is wat voor organisatie Nur is. Evenmin is het duidelijk wie de brief heeft ondertekend en welke autoriteit aan de ondertekenaar toekomt. Bovendien is de brief een kopie die niet op echtheid kan worden onderzocht. Verder merkt de minister naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op dat - mocht al van de echtheid van de brieven moeten worden uitgegaan - het onduidelijk is waarop de ondertekenaar van de brieven baseert dat eiser bij terugkeer een gevangenisstraf riskeert vanwege het verrichten van politieke activiteiten en vanwege zijn politieke mening. Evenmin blijkt uit de brieven dat eiser bij terugkeer politieke activiteiten zal gaan verrichten. Gelet op het bovenstaande heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan de brieven niet die waarde kan worden gehecht die eiser eraan toegekend wenst te zien. Gelet op het bovenstaande kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a van de Awb in stand worden gelaten.
Is het aannemelijk dat eiser vanwege zijn politieke mening in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten?
16. Eiser verwijst in beroep naar meerdere bronnen waaruit blijkt dat eiser vanwege zijn activiteiten voor de partij IRPT en zijn politieke mening bij terugkeer naar Tadzjikistan wel degelijk een gevaar loopt op schending van het Vluchtelingenverdrag dan wel een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. [2]
16.1.
De minister heeft op goede gronden overwogen dat niet is gebleken dat eiser vanwege zijn politieke mening in de negatieve belangstelling stond van de autoriteiten. In dit verband is van belang dat eiser enkel sympathisant was en slechts marginale activiteiten heeft verricht en dat deze activiteiten laatstelijk in 2015 hebben plaatsgevonden. Hierna heeft eiser geen politieke activiteiten meer ontplooid. Gelet op het tijdsverloop is het dan ook niet aannemelijk dat eiser vanwege deze activiteiten in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Eiser heeft daarnaast niet onderbouwd dat hij vanwege zijn deelname aan de demonstraties in zijn studententijd (1990-1992) in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten. De minister heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser enkel deelnemer was en geen rol had in de organisatie. Ook ten aanzien van deze activiteiten geldt dat er vanwege het tijdsverloop geen redenen zijn om te veronderstellen dat eiser in de negatieve aandacht zou staan van de autoriteiten van Tadzjikistan. Er is inmiddels 31 jaar verstreken sinds de demonstraties waar eiser over heeft verklaard. Over recente deelname aan demonstraties of andere activiteiten heeft eiser niet verklaard.
16.2.
Met de overgelegde rapporten en (landen)informatie maakt eiser evenmin aannemelijk dat hij in de negatieve aandacht staat vanwege zijn activiteiten en de demonstraties begin jaren ’90. Ook volgt uit deze informatie niet dat eiser in de toekomst wél in de negatieve aandacht van de autoriteiten zal komen te staan. De informatie is deels verouderd en deels te algemeen van aard. Daarnaast ziet de informatie op prominente leden van de IRPT, zoals oprichters, leiders, activisten en advocaten die openlijk kritiek hebben geuit en daar is in eisers geval geen sprake van.
16.3.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van de Tadzjiekse autoriteiten staat, dan wel bij terugkeer zal komen te staan. Eisers beroepsgrond kan dan ook niet slagen.
Politieke activiteiten en politieke overtuiging uiten bij terugkeer
17. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister ten onrechte de conclusie trekt dat het niet geloofwaardig is dat eiser zich na terugkeer in Tadzjikistan politiek wil uiten en politieke activiteiten wil verrichten. Ten onrechte concludeert de minister dat eiser niet in de negatieve belangstelling zal komen te staan van de autoriteiten.
17.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser de vrees voor vervolging of het risico op ernstige schending bij terugkeer niet aannemelijk heeft gemaakt. Over hoe eiser zich bij terugkeer zou (willen) uiten, overweegt de rechtbank als volgt.
Eiser heeft verklaard dat hij via internet likes plaatst, informatie deelt en een commentaar plaatst op social media, alles onder een valse naam. Eiser heeft geen concreet antwoord gegeven op de vraag welke politieke activiteiten hij in Nederland verricht die hij niet in Tadzjikistan zou kunnen verrichten. Tevens heeft eiser verklaard dat hij ongeveer vier of vijf keer een online vergadering heeft bijgewoond van Paymani Milli [3] , de politieke partij die eiser nu stelt aan te hangen, en dan ook enkel op initiatief van vrienden die hem een link doorsturen. Terecht heeft de minister geconcludeerd dat dat neerkomt op minder dan een vergadering per jaar gedurende het zesjarig bestaan van Paymani Milli. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat zijn politieke uitingen en activiteiten zeer beperkt zijn.
Voorts heeft eiser verklaard dat hij bij terugkeer wil vechten voor de rechten van de mens, dat hij de overheid wil oproepen om te stoppen met geweld, dat politieke gevangenen vrijgelaten moeten worden en dat het volk meer vrijheid moet krijgen. Dat eiser zich bij
terugkeer zo expliciet zou willen uitspreken ten overstaan van de regering van
Tadzjikistan valt niet te rijmen met eisers beperkte activiteiten en uitingen sinds eiser
zich buiten zijn land van herkomst bevindt. Uitingen die eiser bovendien niet onder
zijn eigen naam plaatst en dus ook niet tot hem te herleiden zijn. Bovenstaande in overweging genomen, heeft de minister het niet ten onrechte ongeloofwaardig mogen achten dat eiser zich na terugkeer naar Tadzjikistan daadwerkelijk politiek wil uiten en politieke activiteiten wil verrichten.
17.2.
Daarnaast heeft de minister niet ten onrechte het standpunt ingenomen dat eisers kennis over de Paymani Milli en het politieke landschap van Tadzjikistan zeer beperkt is. Zo kan eiser niet gevolgd worden in zijn verklaring dat Paymani Milli in 2018 is opgericht door [Said Abdullad Nori] omdat uit algemeen toegankelijke informatie is gebleken dat [Nori 1] al in 2006 is overleden. Bovendien heeft eiser verklaard dat [Nori 2] is vermoord, terwijl uit algemene informatie blijkt dat hij aan kanker is gestorven. De rechtbank overweegt dat - anders dan eiser stelt - uit de gehoren niet is gebleken dat eiser problemen heeft gehad met de tolk, zodat die problematiek niet de reden kan zijn voor zijn onjuiste verklaringen. Daarnaast heeft eiser verklaard dat Paymani Milli de voortzetting is van IRPT en dat dat de enige partij is die opkomt voor de rechten van de mens. Eiser heeft niet gesproken over de andere drie oppositiepartijen, die tezamen met de IRPT verenigd zijn in de Nationale Alliantie. Daarnaast benoemt eiser, behalve Kabiri, geen van de overige kopstukken van Paymani Milli en weet eiser niet hoeveel leden de Nationale Alliantie heeft noch wat de structuur van de groep is. Niet ten onrechte heeft de minister het standpunt ingenomen dat van een gesteld politiek activist verwacht mag worden dat hij beter op de hoogte is van de groep die hij stelt aan te hangen en ook van het politieke landschap waarin de strijd voor de bewerkstelliging van diens politieke overtuigingen zich afspeelt. Dat eiser stelt dat hij hierover niet dan wel onvoldoende zou zijn bevraagd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel nu het aan eiser is om zijn asielrelaas te onderbouwen. Bovendien is eiser uitgebreid ondervraagd over zijn politieke overtuiging, de door hem aangehangen politieke partij en de bijbehorende doelstellingen en activiteiten. Bovenstaande in overweging genomen heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het niet geloofwaardig is dat eisers politieke activiteiten en uitingen van dien aard zijn dat eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling van de Tadzjiekse autoriteiten zal komen te staan. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Pamir uit Gorno-Badakhshan
18. Eiser voert aan dat hij, gelet op de activiteiten die hij heeft verricht en het feit dat hij afkomstig is uit Gorno-Badakhshan, een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. Eiser verwijst naar een rapport over Tadzjikistan van US Department of State van 2022.
18.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gevaar loopt van de zijde van de overheid enkel omdat hij in de regio Gorno-Badakhshan is geboren. Uit het aangehaalde rapport blijkt weliswaar dat er personen uit de regio Gorno-Badakhshan zijn opgepakt, maar hierbij gaat het om personen die recent hebben deelgenomen aan protesten in de regio. Bij eiser kan niet gezegd worden dat hij recent heeft deelgenomen aan protesten nu hij voor het laatst in 2015 politieke activiteiten heeft verricht. Gelet op de ongeloofwaardig geachte problemen vanwege eisers eerdere politieke activiteiten heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser vanwege zijn afkomst uit Pamir, bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM Pro. De minister heeft ook de stelling dat eiser enkel vanwege het zijn van moslim uit de regio Gorno-Badakhshan bij terugkeer een gevaar loopt in de zin van artikel 3 EVRM Pro niet behoeven te volgen nu eiser deze op geen enkele wijze heeft onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
Aanvullend horen
19. Tot slot heeft eiser opgemerkt dat de minister na het aanvullend horen een voornemen had moeten uitbrengen in plaats van een aanvullend besluit. Eiser mist hierdoor een rechtsmiddel. Nu hij geen zienswijze heeft kunnen indienen, is eiser in zijn belangen geschaad.
19.1.
Op grond van artikel 3.119, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 brengt de minister een nieuw voornemen uit, als al bekende feiten en omstandigheden naar aanleiding van de zienswijze anders worden beoordeeld of gewogen, die voor de te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, zodat de vreemdeling in de gelegenheid is om zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.
Naar het oordeel van de rechtbank is in het aanvullend besluit geen sprake van een wezenlijk andere beoordeling dan in het voornemen. De minister heeft het asielmotief bijvoorbeeld niet gewijzigd. Er is geen sprake van een andere beoordeling die van aanmerkelijk belang is voor de te nemen beslissing. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

20 Het beroep is gegrond, maar de rechtbank oordeelt dat de aanvullende motivering die de minister in het verweerschrift en tijdens de zitting heeft gegeven voldoende is om dat gebrek te herstellen en daarmee om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit en het bijbehorende aanvullend besluit in stand te laten. Dat betekent dat eisers voor een deel gelijk krijgen, maar dat de afwijzing van hun asielaanvraag gehandhaafd blijft en zij geen verblijfsvergunning asiel krijgen. Eisers krijgen wel vergoeding van hun proceskosten.
De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor een reactie op het aanvullende besluit en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 14 maart 2024 en het aanvullende besluit van 19 november 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 2721,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr.
S. Derks, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.voorheen de Staatsecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Verdrag ter bescherming van de rechtbank van de Mens en de fundamentele vrijheden.
3.Een politieke partij die zich profileert als opposant van het Tadzjiekse regime.