ECLI:NL:RBDHA:2025:8715

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2025
Publicatiedatum
19 mei 2025
Zaaknummer
AWB 25.1743
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 78 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering verblijfsvergunning regulier

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 januari 2025 waarin hij werd geweigerd voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de uitzetting naar Turkije te voorkomen. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en ging, vanwege uitzonderlijke omstandigheden en vermoedelijk misbruik van recht, voorbij aan de indieningsvereisten.

Verzoeker maakte niet duidelijk welke voorlopige voorziening werd gevraagd, maar dit werd geïnterpreteerd als opschorting van de terugkeerplicht. Verzoeker stelde zich op het standpunt dat hij onder het associatierecht tussen de EU en Turkije valt, maar leverde geen onderbouwing en maakte geen gebruik van de gelegenheid tot aanvulling. Hierdoor werd het verzoek kennelijk ongegrond afgewezen.

Gezien de afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening en het ontbreken van enige kans van slagen van het bezwaar, verklaarde de voorzieningenrechter het bezwaar ongegrond met toepassing van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen het primaire besluit wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/1743

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,

V-nummer: [V-nummer]
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 9 januari 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning
Verzoeker heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2. Voordat de voorzieningenrechter inhoudelijk kan beoordelen of een voorlopige voorziening nodig is, moet worden beoordeeld of aan alle indieningsvereisten – zoals het betalen van griffierecht en het vermelden van gronden – is voldaan, en of sprake is van onverwijlde spoed. Om proceseconomische redenen, en omdat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, gaat de voorzieningenrechter daaraan in dit geval voorbij. De uitzonderlijke omstandigheden bestaan daarin dat dit verzoek deel uitmaakt van een cluster van vele tientallen zaken waarin na de indiening van het verzoek nauwelijks communicatie met verzoekers mogelijk is, verzuimen niet worden hersteld, en bovendien door alle verzoekers slechts enkele postadressen worden opgegeven waar zij blijkens openbaar toegankelijke bronnen onmogelijk allemaal daadwerkelijk kunnen wonen. Naar het zich laat aanzien is dan ook sprake van misbruik van recht. Tegen die achtergrond ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek als volgt inhoudelijk af te doen. Partijen worden hierdoor niet benadeeld.
3. Verzoeker maakt niet expliciet duidelijk welke voorlopige voorziening hij vraagt. Daarom dient ervan uit te worden gegaan dat het verzoek betrekking heeft op het opschorten van de rechtsgevolgen zoals die in het primaire besluit zijn opgenomen, namelijk dat verzoeker moet terugkeren naar Turkije.
4. In het primaire besluit heeft verweerder uitgelegd waarom verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier. Verzoeker voert nu, zonder enige toelichting, aan dat hij onder het associatierecht tussen de Europese Unie en Turkije valt. Voor zover sprake is van het indienen van een incomplete aanvraag, wordt vermeld dat er alsnog bereidheid is om de aanvraag compleet te maken. Een dergelijke bereidheid is als zodanig echter onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat het bezwaar ook maar enige kans van slagen heeft, en dat geldt evenzeer voor het gebrek aan elke onderbouwing van het beroep op het associatierecht. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om de gronden aan te vullen, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.
5. Aangezien het verzoek kennelijk is gedaan teneinde uitzetting te voorkomen voordat op het bezwaar is beslist, en gelet op het voorgaande over de uitkomst van het bezwaar geen enkele twijfel bestaat, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om met toepassing van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 het bezwaar ongegrond te verklaren.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
 verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 15 mei 2025 door mr. A.J. de Danschutter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.A.M. Mangroe, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.