De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige voor de duur van drie maanden. Dit verzoek volgde op een crisismaatregel waarbij de moeder, belast met het ouderlijk gezag, vanwege een psychose was opgenomen bij GGZ Delfland, terwijl de minderjarige tijdelijk elders verbleef.
De kinderrechter nam de eerdere spoedvoorziening van 23 april 2025 mee in de beoordeling en hield op 29 april 2025 een zitting met gesloten deuren. De moeder erkende dat het momenteel niet in het belang van de minderjarige is om direct terug te keren naar huis en gaf aan de voorkeur te geven aan plaatsing bij een bekende gastouder.
De gecertificeerde instelling onderschreef het verzoek en gaf aan dat het contact tussen moeder en kind begeleid zal worden. De kinderrechter oordeelde dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig wordt bedreigd, dat voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk zijn, en dat de beslissing uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
De beschikking geldt van 7 mei 2025 tot 23 juli 2025, met als doel het monitoren van de situatie van de moeder en het veiligstellen van de opvoedingssituatie van de minderjarige, waarbij onderzocht wordt of terugplaatsing bij de gastouder mogelijk is.