Eiser, een Egyptische asielzoeker, diende op 20 april 2023 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in. Na het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag stelde eiser beroep in tegen het uitblijven van een besluit en tegen de afwijzing van zijn aanvraag door verweerder op 14 maart 2025.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk was, omdat verweerder inmiddels een besluit had genomen. Ten aanzien van het bestreden besluit stelde de rechtbank vast dat verweerder ten onrechte tegenstrijdige verklaringen uit de aanmeldfase had betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eiser, wat in strijd was met artikel 3.108d, vijfde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000. Dit leidde tot een motiveringsgebrek.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.