Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:8608

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 mei 2025
Publicatiedatum
16 mei 2025
Zaaknummer
NL25.19427
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid maatregel bewaring vreemdeling en afwijzing beroep

De rechtbank Den Haag heeft op 16 mei 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende de maatregel van bewaring opgelegd aan een Algerijnse vreemdeling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd opgelegd vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken.

De rechtbank stelt vast dat de rechtmatigheid van de zware en lichte gronden waarop de bewaring is gebaseerd reeds bij uitspraak van 9 januari 2025 is vastgesteld en niet is bestreden door hoger beroep. Eiser heeft de gronden niet betwist en zijn recente verklaring dat hij wel wil meewerken aan vertrek acht de rechtbank niet aannemelijk, mede gezien eerdere weigeringen en het ontbreken van hulp van de IOM.

De rechtbank concludeert dat een lichter middel niet doeltreffend is en dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting, met een vlucht geboekt op 19 mei 2025. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.19427

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. D.J. Halbesma).

Inleiding

1. Bij besluit van 25 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 mei 2025 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.
5. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
7. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59, eerste lid aanhef en onder a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Uit de afwijzing van de asielaanvraag op 28 januari 2025 volgt dat aan eiser reeds bij beschikking van 14 juni 2023 een terugkeerbesluit is opgelegd en een inreisverbod voor de duur van 2 jaar. Deze zijn nog steeds geldig. Eiser heeft daarom geen rechtmatig verblijf, hetgeen ook niet is betwist.
Gronden
8. De rechtbank stelt vast dat de rechtbank in haar uitspraak van 9 januari 2025 de zware gronden en de lichte gronden reeds rechtmatig heeft bevonden. Nu - zoals de gemachtigde ter zitting heeft bevestigd - geen hoger beroep tegen deze uitspraak is ingesteld, staat de rechtmatigheid van deze gronden in rechte vast. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat deze zware en lichte gronden in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende zijn om ook de thans opgelegde maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Eiser heeft de gronden bovendien niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

Lichter middel

9. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de verklaringen van eiser dat hij niet terug wil naar Algerije, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een meldplicht is niet aangewezen nu eiser steeds heeft verklaard niet mee te willen werken aan zijn vertrek. Dat eiser – zoals hij ter zitting heeft verklaard – nu wel bereid zou zijn met hulp van de IOM vrijwillig naar Algerije te vertrekken acht de rechtbank, gelet op zijn eerdere consequente weigering, niet zonder meer aannemelijk. Bovendien is blijkens het op 24 april 2025 gevoerde vertrekgesprek door de IOM aangegeven dat men eiser niet kan helpen omdat de lp-toezegging aan DTenV is gedaan en DTenV in het verleden een lp heeft opgehaald bij de ambassade. Een lichter middel volstaat daarom niet om de uitzetting van eiser te verzekeren.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser en dat ook het zicht op uitzetting niet ontbreekt. Er is voor eiser een vlucht geboekt op 19 mei 2025.

Conclusie en gevolgen

11. Concluderend is de rechtbank niet gebleken is dat een uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarde voor de rechtmatigheid van de opgelegde bewaringsmaatregel niet is nageleefd. Wat eiser verder naar voren heeft gebracht, geeft ook geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten.
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. de Ruijter, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.