De kantonrechter te Den Haag heeft op 9 januari 2025 uitspraak gedaan in een zaak tussen een werknemer en Technisch Bureau B.V. De werknemer was op 24 augustus 2024 op staande voet ontslagen wegens vermeend verbaal bedreigend gedrag, maar stelde dat het ontslag onterecht was en vorderde een billijke vergoeding, transitievergoeding en loonbetaling.
De kantonrechter oordeelde dat onvoldoende was komen vast te staan dat het gedrag van de werknemer een dringende reden voor ontslag opleverde. De arbeidsovereenkomst was daarom onregelmatig opgezegd en het ontslag op staande voet werd vernietigd. De arbeidsovereenkomst werd hersteld en de werkgever werd veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, incassokosten en proceskosten.
In het voorwaardelijk tegenverzoek verzocht de werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter stelde vast dat de verhoudingen tussen partijen zodanig verstoord waren dat voortzetting niet redelijk was. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden met ingang van 1 maart 2025 en de werkgever werd veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding.
De kantonrechter wees verdere vergoedingen af en bepaalde dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen in het tegenverzoek. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.