ECLI:NL:RBDHA:2025:8420
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden voor slachtoffer mensenhandel
Eiseres, een Ugandese vrouw, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van tijdelijke humanitaire gronden als slachtoffer van mensenhandel. De aanvraag werd door de minister afgewezen omdat het Openbaar Ministerie (OM) had laten weten dat er geen lopend strafrechtelijk onderzoek was en de aanwezigheid van eiseres in Nederland niet noodzakelijk werd geacht.
Eiseres voerde aan dat Nederland verantwoordelijk is voor haar asielaanvraag en dat zij wel aan de voorwaarden voldoet voor een verblijfsvergunning als slachtoffer van mensenhandel. Zij stelde dat haar belangen zwaarder wegen dan het belang van overdracht aan Spanje en dat weigering in strijd is met het EVRM en EU-richtlijnen.
De rechtbank oordeelde dat de wettelijke voorwaarden voor het verlenen van de vergunning niet zijn vervuld omdat geen strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek plaatsvindt. Het feit dat Nederland verantwoordelijk is voor de asielprocedure verandert hier niets aan. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en de rechtbank wees het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden wordt ongegrond verklaard.