ECLI:NL:RBDHA:2025:8368

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2025
Publicatiedatum
13 mei 2025
Zaaknummer
NL24.34833
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag af te wijzen. De voorzieningenrechter heeft zonder zitting beslist omdat het verzoek kennelijk gegrond is. De minister heeft zich niet verzet tegen het verzoek om de voorlopige voorziening toe te wijzen, voor zover dit ziet op het niet uitzetten van verzoeker totdat op het bezwaar is beslist.

De voorzieningenrechter constateert dat er nog geen beslissing op bezwaar is genomen en ziet geen beletselen om het verzoek toe te wijzen. Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 907,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, en is zonder mogelijkheid tot hoger beroep of verzet. Hiermee wordt verweerder verplicht zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten Nederland van verzoeker totdat op het bezwaar is beslist.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen en de minister wordt verboden verzoeker uit te zetten totdat op het bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.34833

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. A.H. Hekman),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: A.J. Philipse).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.
1.2.
Met het bestreden besluit van 4 september 2024 heeft de minister de aanvraag van verzoeker afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter heeft de minister gevraagd of zij zich wel of niet verzet tegen het toewijzen van het verzoek om een voorlopige voorziening. In de brief van 11 februari 2025 heeft de minister aangegeven zich niet te verzetten tegen toewijzing ten aanzien van dat wat is verzocht, voor zover dit ziet op het niet uitzetten totdat er een beslissing is genomen op het bezwaarschrift.
2.1
Niet is gebleken dat inmiddels een beslissing op bezwaar is genomen.
2.2
Omdat de minister zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet om deze toe te wijzen, zal met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de (Awb) worden beslist als hierna aangegeven.
2.3
De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (één punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe;
  • gebiedt verweerder om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoeker totdat op het bezwaar is beslist;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.