ECLI:NL:RBDHA:2025:82
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na ongegrondverklaring beroep verblijfsvergunning asiel
Verzoeker had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 29 oktober 2024 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde hiertegen beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening samen met het beroep op 12 december 2024. Tijdens de zitting waren verzoeker (bijgestaan door een tolk), zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister aanwezig. Het onderzoek werd daarop gesloten.
Op 6 januari 2025 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL24.43180) en het beroep ongegrond verklaard, waarmee het bestreden besluit in stand bleef. Gezien deze uitspraak is een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep op het bestreden besluit ongegrond is verklaard.