ECLI:NL:RBDHA:2025:8082

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2025
Publicatiedatum
9 mei 2025
Zaaknummer
NL25.2486
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 Vw 2000Art. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit wegens motiveringsgebrek maar rechtsgevolgen blijven in stand

De minister van Asiel en Migratie legde aan eiser op 31 december 2024 een terugkeerbesluit op omdat hij zich niet aan de verplichtingen van de Vreemdelingenwet 2000 hield en verdacht werd van winkeldiefstal. Eiser betoogde dat het besluit een motiveringsgebrek bevatte en dat het evenredigheidsbeginsel niet was toegepast.

De rechtbank oordeelde dat het oorspronkelijke besluit inderdaad een motiveringsgebrek had omdat niet was toegelicht van welke strafbare feiten eiser verdacht werd en waarom deze voldoende ernstig waren. Dit betekende dat het beroep gegrond was en het besluit vernietigd werd.

Echter, de minister had in het verweerschrift en tijdens de zitting op 17 maart 2025 de motivering voldoende hersteld door te wijzen op twee winkeldiefstallen, waarvan één waarvoor eiser veroordeeld was en één waarvan hij verdacht werd. De rechtbank vond dat dit voldoende was om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.

Eiser stelde ook dat mogelijk een nieuwe vrije termijn was gaan lopen, maar dit werd verworpen omdat hij dit niet met bewijs had onderbouwd. Ook het betoog dat het evenredigheidsbeginsel niet was toegepast werd verworpen, omdat de minister aannemelijk had gemaakt dat de feiten voldoende ernstig waren en dat het beleid het evenredigheidsbeginsel in acht nam.

De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van de proceskosten van €907 aan eiser en gaf aan dat tegen deze uitspraak hoger beroep mogelijk is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en de minister wordt veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2486

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het door de minister aan eiser opgelegde terugkeerbesluit. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het terugkeerbesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het terugkeerbesluit een motiveringsgebrek bevat. Dit gebrek is met het verweerschrift van 17 maart 2025 voldoende hersteld, waardoor de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit in stand kunnen blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft aan eiser op 31 december 2024 een terugkeerbesluit opgelegd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn,
met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit van 31 december 2024
3. De minister heeft aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd dat eiser niet langer rechtmatig in Nederland verblijft omdat hij zich niet heeft gehouden aan de verplichtingen die volgen uit de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser wordt namelijk verdacht van het plegen van een misdrijf waardoor hij niet langer voldoet aan het gestelde zoals genoemd in artikel 12 van Pro de Vw 2000. Hierdoor is zijn vrije termijn komen te vervallen en verblijft hij onrechtmatig in Nederland.
Bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek?
4. Eiser betoogt dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. De minister heeft namelijk niet gemotiveerd dat eiser tweemaal in de vrije termijn verdacht is van een strafbaar feit en de minister heeft het evenredigheidsbeginsel zoals dat volgt uit het arrest E.P. van het Europese Hof van Justitie (Hof) [1] en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2020 [2] niet toegepast.
4.1.
De minister heeft in het verweerschrift van 17 maart 2025 en op zitting gemotiveerd op grond waarvan de vrije termijn van eiser is beëindigd en aan hem een terugkeerbesluit is opgelegd. Hierbij heeft de minister gewezen op twee strafbare feiten namelijk de winkeldiefstal van 30 november 2024 waar eiser op 3 december 2024 voor veroordeeld is en de winkeldiefstal van 31 december 2024 waar eiser van verdacht werd ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit. Deze feiten zijn, volgens de minister, voldoende ernstig om het terugkeerbesluit te rechtvaardigen en daarmee is voldaan aan het evenredigheidsbeginsel.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. In het besluit is namelijk niet gemotiveerd van welke strafbare feiten eiser verdacht werd en waarom deze feiten voldoende ernstig waren om op basis hiervan het rechtmatig verblijf te beëindigen. Het beroep tegen het bestreden besluit is daarom gegrond en wordt vernietigd. De rechtbank beoordeelt hierna of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, waarbij de motivering in het verweerschrift en op zitting wordt meegenomen, in stand kunnen blijven.
Is er een nieuwe vrije termijn aangevangen?
5. Eiser betoogt voorts nog dat mogelijk een nieuwe vrije termijn is gaan lopen omdat hij tussen de twee strafbare feiten misschien is teruggekeerd naar Georgië.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De enkele stelling van eiser dat hij mogelijk teruggekeerd is naar Georgië is onvoldoende om te oordelen dat een nieuwe vrije termijn is gaan lopen. De minister heeft daarbij terecht gesteld dat het aan eiser is om met in- en uitreisstempels, of met andere stukken, te onderbouwen dat hij tussentijds is teruggekeerd. Daarnaast heeft de minister op zitting toegelicht dat ook al zou sprake zijn van een nieuwe vrije termijn, het terugkeerbesluit alsnog overeind kan blijven omdat het strafbare feit van 31 december 2024 de aanleiding is geweest voor het opleggen van een terugkeerbesluit en dat ook voldoende is voor het nemen van dat besluit.
Heeft de minister het evenredigheidsbeginsel toegepast?
6. Eiser betoogt dat als geen sprake is van een veroordeling, de minister alleen kan stellen dat de vreemdeling een gevaar is voor de openbare orde als er met elkaar overeenstemmende, objectieve en nauwkeurige elementen zijn op grond waarvan die vreemdeling kan worden verdacht van het plegen van een strafbaar feit. In het terugkeerbesluit heeft de minister het misdrijf niet nader gespecificeerd zodat daaruit niet valt af te leiden of deze naar aard en strafmaat voldoende ernstig is om de onmiddellijke beëindiging van de vrije termijn te rechtvaardigen. De minister heeft derhalve het evenredigheidsbeginsel niet toegepast.
6.1.
Niet in geschil is dat eiser, als houder van een Georgisch paspoort, in een periode van 180 dagen gedurende maximaal 90 dagen zonder visum, op het Schengengrondgebied mag verblijven. Dit is de zogenoemde vrije termijn. De vrije termijn kan onder andere worden beëindigd als iemand wordt beschouwd als bedreiging voor de openbare orde. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 2 september 2020, in lijn met het arrest van het Hof van 12 december 2019, geoordeeld dat een terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd tegen een vreemdeling die zich in de vrije termijn bevindt, als die vreemdeling wordt verdacht van een strafbaar feit. Daarbij dient de minister rekening te houden met het evenredigheidsbeginsel, waarbij gekeken dient te worden naar de aard en de strafmaat van de strafbare feit waarmee de beëindiging van het verblijf kan worden gerechtvaardigd. Verder dient de minister, wanneer de vreemdeling (nog) niet is veroordeeld, te motiveren dat de vreemdeling een bedreiging vormt voor de openbare orde op basis van overeenstemmende, objectieve en nauwkeurige elementen op grond waarvan de vreemdeling wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich in het verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat de vrije termijn voor eiser is beëindigd omdat hij een bedreiging is voor de openbare orde, waardoor aan hem een terugkeerbesluit kon worden opgelegd. Eiser is namelijk tweemaal in zijn vrije termijn aangehouden voor een strafbaar feit. [3] Eiser heeft op 30 november 2024 een winkeldiefstal gepleegd, waarvoor hij op 3 december 2024 is veroordeeld. De minister stelt daarbij terecht dat een winkeldiefstal voldoende ernstig is omdat op dit delict ten hoogste vier jaren gevangenisstraf staat. [4] De minister heeft namelijk op zitting toegelicht dat op grond van intern beleid een strafbaar feit waarop ten minste één jaar gevangenisstraf staat, voldoende ernstig is om de beëindiging van de vrije termijn te rechtvaardigen en dat in dit beleid het evenredigheidsbeginsel is toegepast. Naast het strafbare feit van 30 november 2024, werd eiser ervan verdacht dat hij op 31 december 2024 wederom een winkeldiefstal heeft gepleegd. Hierbij heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van de elementen zoals bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020, omdat volgens de minister uit het proces-verbaal van aanhouding van 31 december 2024 volgt dat eiser op heterdaad is aangehouden en uit het proces-verbaal van bevindingen van 31 december 2024 volgt dat op camerabeelden te zien is dat eiser de diefstal heeft gepleegd. Deze processen-verbaal zijn opgemaakt op ambtseed, zodat aan de inhoud waarde mag worden gehecht. Uit het proces-verbaal van gehoor van 31 december 2024 blijkt ook niet dat eiser het feit niet zou hebben gepleegd. Op grond hiervan is voldoende gemotiveerd dat eiser wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit. Daarnaast is ook dit strafbare feit voldoende ernstig omdat hierop een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren staat. De minister heeft, gelet op voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank het evenredigheidsbeginsel voldoende toegepast.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep van eiser is gegrond, omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Gelet op wat onder 5.1 en 6.2 is geoordeeld, kunnen de rechtgevolgen van het besluit in stand gelaten worden.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeeld de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.HvJEU 12 december 2019, ECLI:EU:C:2019:1071.
2.ABRvS 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2067.
3.Dit blijkt uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 17 januari 2025.
4.Artikel 310 van Pro het Wetboek van Strafrecht.