ECLI:NL:RBDHA:2025:79

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2025
Publicatiedatum
6 januari 2025
Zaaknummer
NL24.51999
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 5.1b VbVerordening (EU) nr. 604/2013
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet 2000

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van 20 december 2024 waarbij verweerder een maatregel van bewaring oplegde op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, van Turkse nationaliteit, werd verweten zich niet aan de vreemdelingenwetgeving te houden en onvoldoende mee te werken aan zijn overdracht aan Duitsland.

Verweerder stelde dat de maatregel noodzakelijk was vanwege concrete aanwijzingen voor overdracht volgens de Dublinverordeningen en het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Zware en lichte gronden werden genoemd, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen, het niet meewerken aan overdracht en het ontbreken van een vaste verblijfplaats.

Eiser betwistte slechts enkele gronden en voerde aan dat verweerder onvoldoende voortvarend was in de overdracht aan Duitsland. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende voortvarend handelde, mede omdat de Duitse autoriteiten geen overdrachten konden uitvoeren tussen 23 december 2024 en 6 januari 2025.

De rechtbank vond geen aanleiding om de maatregel onrechtmatig te achten en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51999

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

v-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 2003.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening [1] en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
4. Eiser heeft de zware gronden 3a en 3k niet betwist. Deze gronden zijn feitelijk juist en voorzien van een voldoende toelichting. Ook de lichte gronden 4c en 4d zijn niet betwist, feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Eiser staat niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen in Nederland noch beschikt hij over voldoende middelen van bestaan. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. De overige gronden hoeven daarom geen bespreking.
Voortvarend handelen
5. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de overdracht aan Duitsland. Eiser is op 20 december 2024 in bewaring gesteld en de overdracht staat gepland voor 7 januari 2025. Volgens eiser had de overdracht veel eerder kunnen plaatsvinden, nu het gaat om een overdracht aan Duitsland en hij al eerder, namelijk op 18 december 2024, overgedragen zou worden aan de Duitse autoriteiten. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat de overdracht voldoende voortvarend is opgepakt. De Duitse autoriteiten hebben te kennen gegeven dat in de periode van 23 december 2024 tot en met 6 januari 2025 geen overdrachten kunnen plaatsvinden. 7 Januari 2025 is daarmee de eerste mogelijkheid om eiser over te dragen aan Duitsland, zoals ook gepland staat. De Duitse autoriteiten hebben met deze overdracht ingestemd.
6. In wat verweerder heeft aangevoerd, ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de verwijdering van eiser uit Nederland. Eiser heeft ook geen concrete aanknopingspunten aangedragen dat hij eerder aan Duitsland kan worden overgedragen. Deze beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.
Ambtshalve toets
7. De rechtbank ziet ook verder ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 6 januari 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.