ECLI:NL:RBDHA:2025:7878
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen beslissing inzake Dublinprocedure en interstatelijk vertrouwensbeginsel afgewezen
Opposant heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag niet in behandeling te nemen op grond van de Dublinverordening, waarbij Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2025 ongegrond verklaard zonder zitting, omdat het eindoordeel buiten redelijke twijfel stond. Opposant stelde verzet in tegen deze uitspraak en voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten onrechte werd toegepast, verwijzend naar geweld en opvangproblemen in Duitsland.
De rechtbank overweegt dat de aangevoerde gronden grotendeels een herhaling zijn van eerdere beroepsgronden en dat de rechtbank deze reeds gemotiveerd heeft beoordeeld. Tevens verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de Afdeling van 8 november 2023 die het interstatelijk vertrouwensbeginsel bevestigt.
Omdat opposant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een andere beoordeling rechtvaardigen, verklaart de rechtbank het verzet ongegrond en handhaaft zij de eerdere uitspraak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzet tegen de ongegrondverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak wordt gehandhaafd.