ECLI:NL:RBDHA:2025:7590

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 mei 2025
Publicatiedatum
6 mei 2025
Zaaknummer
NL25.18258
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000 wegens zicht op uitzetting naar Marokko

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met het argument dat er geen concreet zicht is op uitzetting naar Marokko. Eiser baseert dit op het ontbreken van reactie na overleg met de Marokkaanse consul en stelt dat zijn nationaliteit en identiteit vaststaan.

De rechtbank overweegt dat algemeen wordt aangenomen dat er zicht op uitzetting binnen redelijke termijn bestaat, maar dat dit in het concrete geval moet worden beoordeeld. De eerdere inbewaringstelling van eiser werd opgeheven na belangenafweging en de nieuwe lp-aanvraag is nog in behandeling. Eiser kon geen identificatiedocumenten overleggen en heeft onvoldoende inspanningen getoond om deze te verkrijgen.

De rechtbank acht de stelling dat eiser bij de ambassade is weggestuurd onvoldoende en merkt op dat het lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten doorgaans meerdere maanden duurt. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat het traject zal mislukken. De ambtshalve toetsing van de rechtsmatigheid van de bewaring leidt eveneens tot het oordeel dat de maatregel niet onrechtmatig is.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18258

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Zicht op uitzetting
1. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting naar Marokko in zijn concrete geval ontbreekt. Eisers laissez passer (lp-)aanvraag is op 6 januari 2021 ingediend. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 april 2023 (NL23.10837) blijkt dat eisers zaak op 5 april 2023 is besproken met de consul van Marokko en dat verweerder direct zal worden geïnformeerd wanneer de consul resultaten van het onderzoek ontvangt. Bij gebreke van enige reactie na 5 april 2023 is er volgens eiser geen sprake van een wijziging in zijn omstandigheden. Daarnaast staat eisers nationaliteit en identiteit vast omdat hij legaal verblijf in Nederland heeft gehad, en hij was bijgeschreven in het paspoort van zijn vader. Onder deze omstandigheden meent eiser dat een reëel zicht op uitzetting ontbreekt waardoor de bewaringsmaatregel enkel een punitief karakter heeft.
2. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat er in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat eisers eerdere inbewaringstelling van 10 november 2022 op 17 april 2023 is opgeheven op grond van een belangenafweging. Dat verweerder niet meer is geïnformeerd over de resultaten van het onderzoek door de consul, maakt - gelet op de opheffing van die inbewaringstelling (op grond van een belangenafweging) en de inmiddels verstreken tijd - niet dat zicht op uitzetting thans ontbreekt. Verweerder heeft naar aanleiding van de onderhavige inbewaringstelling op 25 april 2025 een nieuwe lp-aanvraag aan de Marokkaanse autoriteiten verzonden. Deze is dus nog in behandeling. Dat eisers nationaliteit en identiteit volgens hem vast staan maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Eiser kan namelijk geen document over zijn identiteit en nationaliteit overleggen. Daarnaast is ook niet gebleken dat eiser inspanningen heeft verricht om identificerende documenten te verkrijgen. De enkele stelling van eiser ter zitting dat hij is weggestuurd bij de ambassade, acht de rechtbank niet voldoende. De rechtbank merkt verder op dat met een lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten in het algemeen de nodige tijd (soms meerdere maanden) gemoeid gaat en de thans verstreken tijd sinds het indienen van de huidige lp-aanvraag te kort is om te oordelen dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbreekt. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
3. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring, waaronder de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.