ECLI:NL:RBDHA:2025:7590
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000 wegens zicht op uitzetting naar Marokko
Eiser heeft beroep ingesteld tegen een maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met het argument dat er geen concreet zicht is op uitzetting naar Marokko. Eiser baseert dit op het ontbreken van reactie na overleg met de Marokkaanse consul en stelt dat zijn nationaliteit en identiteit vaststaan.
De rechtbank overweegt dat algemeen wordt aangenomen dat er zicht op uitzetting binnen redelijke termijn bestaat, maar dat dit in het concrete geval moet worden beoordeeld. De eerdere inbewaringstelling van eiser werd opgeheven na belangenafweging en de nieuwe lp-aanvraag is nog in behandeling. Eiser kon geen identificatiedocumenten overleggen en heeft onvoldoende inspanningen getoond om deze te verkrijgen.
De rechtbank acht de stelling dat eiser bij de ambassade is weggestuurd onvoldoende en merkt op dat het lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten doorgaans meerdere maanden duurt. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat het traject zal mislukken. De ambtshalve toetsing van de rechtsmatigheid van de bewaring leidt eveneens tot het oordeel dat de maatregel niet onrechtmatig is.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.