ECLI:NL:RBDHA:2025:7486

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2025
Publicatiedatum
2 mei 2025
Zaaknummer
AWB - 25 _ 2624
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbWet op de rechtsbijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verhoging eigen bijdrage toevoeging

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand waarin de eigen bijdrage voor een toevoeging in een geschil met een energiebedrijf definitief werd vastgesteld en verhoogd van €159 naar €688. Verzoeker betaalde het voorlopige bedrag en maakte bezwaar tegen de verhoging, waarna hij beroep instelde en tevens een verzoek om voorlopige voorziening indiende.

De voorzieningenrechter stelde vast dat het bestreden besluit zich beperkt tot de vaststelling van de eigen bijdrage en dat andere aangevoerde gronden zoals loondoorbetaling tijdens ziekte, ontbinding van de huurovereenkomst, medische kosten en letselschade buiten de reikwijdte van het geschil vallen. Verzoeker ontving uitstel van betaling gedurende de beroepsprocedure, waardoor geen sprake was van onverwijlde spoed.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening niet kon worden toegewezen omdat er geen spoedeisend belang was en het besluit niet evident onrechtmatig was. Het verzoek werd daarom afgewezen zonder toekenning van proceskosten. De beroepsprocedure zal worden voortgezet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verhoging van de eigen bijdrage wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2624
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening van

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker,

tegen

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Luursema).

Inleiding

1.1.
Op 12 januari 2023 heeft de advocaat van verzoeker een toevoeging [1] aangevraagd voor een geschil tussen verzoeker en Eneco.
Met het besluit van 18 januari 2023 heeft verweerder een toevoeging verleend ([nummer]) en de eigen bijdrage van verzoeker op basis van zijn verzamelinkomen voorlopig vastgesteld op € 159,-. Dit bedrag is door verzoeker voldaan.
1.2.
Verzoeker heeft op 19 januari 2025 bezwaar gemaakt bij de Belastingdienst, omdat volgens hem sprake is van een onterechte wijziging van de inkomstenbelasting 2021.
Met het (primaire) besluit van 20 januari 2025 heeft verweerder de eigen bijdrage van verzoeker na wettelijke hercontrole - op basis van het definitief door de Belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen - vastgesteld op € 688,-, waarvan verzoeker nog € 529,- moet betalen.
Verzoeker heeft op 20 januari 2025 bezwaar gemaakt bij verweerder tegen het primaire besluit. Met het (bestreden) besluit van 22 januari 2025 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
1.3.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (SGR 25/1154). Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (SGR 25/2624)/
Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om zonder zitting uitspraak te doen op het verzoek om een voorlopige voorziening. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
3. Verweerder heeft in zijn verweerschrift meegedeeld dat verzoeker tijdens de beroepsprocedure uitstel van betaling heeft.
4. Verzoeker heeft in zijn verzoek verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die er op neer komt dat € 600.000,- moet worden betaald door “overheden, het UWV en Wrb”. Dit zou onrechtmatig gestremde loondoorbetaling tijdens ziekte betreffen, met terugwerkende kracht tot diverse data. Hij stelt dat hij onrechtmatig ziek werd gehouden door zijn werkgever.
Ter onderbouwing van zijn spoedeisend belang heeft verzoeker verwezen naar een brief aan zijn advocaat van 11 maart 2025 van een advocatenkantoor van een vastgoedbedrijf, waarin een voorstel wordt gedaan tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning van verzoeker per 30 april 2025, wegens huurachterstand.
Bij e-mail van 18 april 2025 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om huisontruiming te voorkomen. Hij heeft het gevorderde bedrag verhoogd en hij heeft gevraagd om vergoeding van medische kosten waarvoor hij als gemoedsbezwaarde niet is verzekerd.
Bij e-mail van 22 april 2025 heeft verzoeker melding gemaakt van letselschade.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit is beperkt tot de definitieve vaststelling van de hoogte van de eigen bijdrage voor de verleende toevoeging.
Wat verzoeker heeft gesteld over de loondoorbetaling, het ziek houden door de werkgever, de mogelijke ontbinding van de huurovereenkomst, vergoeding van medische kosten en letselschade valt buiten de omvang van het geschil. Want daar gaat het besluit van verweerder niet over. Daarover kan en zal de voorzieningenrechter in deze procedure niet oordelen. Dit betekent dat verzoeker niet kan bereiken wat hij wil.
Verzoeker heeft niet betwist dat verweerder hem uitstel van betaling van de eigen bijdrage heeft verleend zolang de beroepsprocedure loopt. Van onverwijlde spoed is dan ook geen sprake.
6. Ondanks dat geen sprake is van een spoedeisend belang, kan aanleiding bestaan om een voorlopige voorziening te treffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Daarmee wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. Hiervan is in dit geval geen sprake.
7. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Voor vergoeding van proceskosten of het griffierecht bestaat geen aanleiding. De beroepsprocedure zal door de rechtbank worden voortgezet.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2025.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb)