ECLI:NL:RBDHA:2025:7363
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toetsing voortduring vrijheidsontnemende maatregel en toekenning schadevergoeding
Eiseres, met de Senegalese nationaliteit, werd op 22 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Deze maatregel werd op 20 december 2024 onrechtmatig geacht, maar bleef voortduren vanwege een voorlopige voorziening van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 december 2024. Op 16 januari 2025 besloot verweerder de maatregel voort te zetten in een andere inrichting, wat eiseres als een nieuwe maatregel beschouwde en hiertegen beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het besluit van 16 januari 2025 geen nieuwe maatregel betreft, maar een wijziging van de plaats van tenuitvoerlegging zonder wijziging van de grondslag. Het beroep wordt daarom opgevat als een beroep tegen de voortduring van de oorspronkelijke maatregel. De rechtbank stelt dat de voortduring van de maatregel moet worden getoetst, ook na een eerder gegrond verklaard beroep, en dat artikel 96, eerste lid, van de Vreemdelingenwet buiten toepassing moet worden gelaten voor zover dit toetsing belemmert.
De maatregel werd op 16 februari 2025 opgeheven, maar eiseres stelt dat de maatregel te lang heeft voortgeduurd na de ongegrondverklaring van haar beroep tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. Verweerder erkent dat de maatregel een dag te laat is opgeheven. De rechtbank acht dit onrechtmatig en kent een schadevergoeding toe van €100,- voor die dag. Tevens veroordeelt de rechtbank de Staat tot betaling van de proceskosten van €1.814,- aan eiseres.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en kent een schadevergoeding toe voor een dag te late opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel.