ECLI:NL:RBDHA:2025:7324

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2025
Publicatiedatum
30 april 2025
Zaaknummer
SGR 25/2545
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 ParticipatiewetArt. 20 ParticipatiewetArt. 21 ParticipatiewetArt. 27 ParticipatiewetArt. 3 Beleidsregels lager vaststellen bijstandsnorm 2021
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen verlaging bijstandsuitkering wegens ontbreken woonkosten

Verzoekster kreeg op 4 maart 2024 een bijstandsuitkering toegekend. Na ontruiming uit haar woning op 19 februari 2025 verlaagde het college van burgemeester en wethouders van Leiden haar uitkering per 20 februari 2025 met 20%, omdat zij geen vaste woon- of verblijfplaats meer had en dus geen woonlasten zou hebben.

Verzoekster maakte bezwaar tegen deze verlaging en stelde dat zij juist extra noodzakelijke kosten heeft, zoals verblijf in een hotel en opslag van haar inboedel. Volgens haar is het toepassen van een generieke daklozenkorting zonder maatwerk onrechtmatig. Het college stelde dat het verblijf in hotels niet noodgedwongen is en dat verzoekster geen bijzondere omstandigheden had die een afwijking rechtvaardigen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de opslagkosten van ongeveer €300 per maand bijzondere omstandigheden vormen die een verlaging met 20% niet zonder meer rechtvaardigen. Daarom wordt het besluit van het college geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens moet het college het griffierecht en de proceskosten van verzoekster vergoeden.

Deze voorlopige voorziening bindt de rechtbank niet in een bodemprocedure en is bedoeld om het belang van verzoekster bij een volledige uitkering te beschermen zolang de bezwaarprocedure loopt.

Uitkomst: De verlaging van de bijstandsuitkering met 20% wordt geschorst vanwege bijzondere omstandigheden zoals opslagkosten na ontruiming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2545

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

[verzoekster] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J. Ruijs),
en

het college van burgemeester en wethouders gemeente Leiden, verweerder

(gemachtigde: O.J. Massalova).

Inleiding

Bij besluit van 25 maart 2025 heeft verweerder de aan verzoekster toegekende uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) per 20 februari 2025 verlaagd naar € 961,04 per maand.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op het verzoek schriftelijk gereageerd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van verzoekster. Verweerder is met bericht niet verschenen.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Aan verzoekster is per 4 maart 2024 een bijstandsuitkering toegekend. Zij is op
19 februari 2025 ontruimd uit haar woning in Leiden.
3. Verweerder heeft bij het besluit van 25 maart 2025 de bijstandsuitkering van verzoekster per 20 februari 2025 met 20% verlaagd, op de grond dat verzoekster vanaf die datum geen vaste woon- of verblijfplaats en dus geen woonlasten heeft.
4. Verzoekster voert aan dat de Pw een verlaging van de bijstandsnorm slechts toestaat indien daadwerkelijk sprake is van lagere noodzakelijke kosten van bestaan. Daar is in haar geval geen sprake van. Zij heeft juist aanzienlijke noodzakelijke kosten, namelijk de kosten van het verblijf in een hotel en de kosten voor de opslag van haar boedel. Verweerder heeft volgens verzoekster verzuimd haar individuele omstandigheden te onderzoeken en te motiveren dat haar kosten van bestaan daadwerkelijk lager zouden zijn. Verweerder heeft slechts volstaan met een generieke daklozenkorting van 20%, zonder maatwerk toe te passen. Dit strookt niet met de wet en de bedoeling van de wetgever. Door de tijdelijke huisvesting in hotels en kosten voor de opslag van haar inboedel heeft verzoekster per saldo geen lagere uitgaven vergeleken met iemand met een normale woonsituatie.
5. Verweerder heeft gesteld dat het noodgedwongen karakter van het verblijf in hotels ontbreekt. Niet valt in te zien waarom verzoekster geen gebruik kan maken van de nachtopvang voor daklozen en verder is niet geconcretiseerd waarom verzoekster geen gebruik kan maken van haar eigen netwerk voor tijdelijk onderdak. Voorts stelt verweerder dat verzoekster € 50,- tot € 60,- per nacht kwijt is in hotels en dat zij deze kosten ook met een volledige bijstandsuitkering niet kan blijven betalen. Dat er sprake zou zijn van zodanige bijzondere omstandigheden dat de bijstand op grond van artikel 18 van Pro Pw zou moeten worden afgestemd is volgens verweerder niet gebleken. Evenmin is er op grond van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3 van Pro de gemeentelijke beleidsregels reden om ten gunste van verzoekster af te wijken van de bepalingen in de beleidsregels.
6.1.
Ingevolge artikel 27 van Pro de Pw kan het college de norm, bedoeld in de artikelen 20 en 21, lager vaststellen voorzover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.
6.2.
Ingevolge artikel 2 van Pro de Beleidsregels lager vaststellen bijstandsnorm 2021 (verder: de Beleidsregels) bedraagt de verlaging als bedoeld in artikel 27 van Pro de wet 20 procent van de gehuwdennorm als:
a. een woning wordt bewoond waaraan voor de alleenstaande of het gezin geen woonkosten zijn verbonden of
b. de belanghebbende geen woning heeft.
6.3.
Ingevolge artikel 3 van Pro de Beleidsregels kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende worden afgeweken van de bepalingen in deze beleidsregels als strikte toepassing ervan tot onbillijkheden van zwaarwegende aard zou leiden.
7. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn de kosten van het verblijf in een hotel niet aan te merken als vaste woonkosten. In het geval iemand geen vaste (huur)woning heeft is verweerder in beginsel bevoegd om de bijstandsuitkering met 20% te verlagen. Op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw en gelet op artikel 3 van Pro de Beleidsregels moet echter rekening worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van de bijstandsgerechtigde. Van dergelijke omstandigheden is bij verzoekster sprake, nu zij als gevolg van de ontruiming uit haar woning in elk geval kosten moet maken voor de opslag voor haar spullen. Ter zitting heeft verzoekster aannemelijk gemaakt dat zij daarvoor € 300,- per maand betaalt. Nu deze kosten ongeveer gelijk zijn aan het bedrag dat in mindering is gebracht op verzoekster bijstandsuitkering, is de voorzieningenrechter van oordeel dat in de bezwaarprocedure nader moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, een verlaging van de bijstandsuitkering van verzoekster met 20% wel kan worden gehandhaafd. In afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure dient het belang van verzoekster bij een volledige bijstandsuitkering te prevaleren boven het belang van verweerder bij het van kracht blijven van het besluit van 25 maart 2025.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 25 maart 2025 wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
8. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2025 door mr. C.J. Waterbolk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
de voorzieningenrechter is verhinderd om deze uitspraak mede te ondertekenen.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.