ECLI:NL:RBDHA:2025:7304

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2025
Publicatiedatum
30 april 2025
Zaaknummer
670666
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Reglement GeschillencommissieArt. 93 RvArt. 8 lid 4 WGBZ
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing zaak tot vernietiging bindend advies naar kantonrechter wegens absolute bevoegdheid

In deze procedure tot vernietiging van een bindend advies tussen eiser en de Geschillencommissie heeft de rechtbank Den Haag beoordeeld of zij zelf bevoegd is of dat de kantonrechter de zaak moet behandelen. De Geschillencommissie had zich onbevoegd verklaard omdat eiser geen consument zou zijn volgens haar reglement. Eiser verzocht vernietiging van het bindend advies wegens schending van het motiveringsbeginsel en het hoor en wederhoor.

De Geschillencommissie stelde in het incident dat de kantonrechter bevoegd is omdat het financieel belang van de onderliggende factuur ruim onder de € 25.000 ligt. Eiser betwistte dit niet, maar stelde dat het geschil over de consumentstatus een vordering van onbepaalde waarde betreft.

De rechtbank oordeelde dat de vernietigingsvordering een waarde vertegenwoordigt van circa € 1.000 en daarmee onder de absolute bevoegdheid van de kantonrechter valt. Daarom verwees de rechtbank de zaak naar de kantonrechter. Tevens wees de rechtbank partijen erop dat zij in de vervolgprocedure niet verplicht zijn een advocaat te hebben en dat het griffierecht zal worden verlaagd en teruggestort.

Uitkomst: De rechtbank verwijst de zaak tot vernietiging van het bindend advies naar de kantonrechter vanwege de absolute bevoegdheid.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/670666 / HA ZA 24-667
Vonnis in incident – bij vervroeging – van 30 april 2025
in de zaak van
[eiser], te [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. K.J. de Rooij,
tegen
STICHTING DE GESCHILLENCOMMISSIE, voorheen genaamd:
ST. GESCHILLENCOMMISSIES VOOR CONSUMENTENZAKEN, te Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de Geschillencommissie,
advocaat: mr. M. Keijzer-de Korver.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 26 juli 2024, met producties 1 tot en met 5;
- de incidentele conclusie tot onbevoegdheid tevens conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 7;
- de conclusie van antwoord in het incident, met producties 6 en 7.
1.2.
Ten slotte is de datum voor het wijzen van vonnis in incident bepaald op vandaag.

2.Het geschil

2.1.
In een geschil tussen [eiser] en WML Waterleiding Maatschappij Limburg heeft de Geschillencommissie een bindend advies gegeven. In dit bindend advies van 29 mei 2024 (hierna: het bindend advies) heeft de Geschillencommissie zich onbevoegd verklaard, omdat zij van oordeel is dat [eiser] geen consument is in de zin van artikel 1 van Pro haar reglement.
in de hoofdzaak
2.2.
[eiser] verzoekt de rechtbank (i) om het bindend advies te vernietigen omdat het ernstig gebrekkig is vanwege schending van het motiveringsbeginsel en het beginsel van hoor en wederhoor en (ii) om hem als consument ontvankelijk te verklaren in de hervatting van de bindend advies procedure bij de Geschillencommissie.
in het incident
2.3.
In het incident vordert de Geschillencommissie – kort samengevat – dat de rechtbank de zaak verwijst naar de kantonrechter van deze rechtbank.
2.4.
Aan haar vordering in het incident legt de Geschillencommissie het volgende ten grondslag. De vordering in de bindend advies procedure heeft een waarde die lager is dan € 25.000, omdat het geschil tussen [eiser] en WML Waterleiding Maatschappij Limburg ziet op een factuur van ruim € 1.000. Hieruit blijkt dat het financieel belang lager is dan € 25.000, waardoor de kantonrechter bevoegd is om over dit geschil te oordelen.
2.5.
[eiser] concludeert tot afwijzing van de vordering van de Geschillencommissie in het incident, omdat het niet gaat om de onderliggende factuur maar om de vraag of [eiser] als consument moet worden aangemerkt. Dit laatste betreft een vordering van onbepaalde waarde.
2.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
De hoofdzaak behelst een procedure tot vernietiging van het bindend advies van de Geschillencommissie omdat het bindend advies gebrekkig zou zijn. Het gaat in deze procedure dus niet om de vraag of [eiser] al dan niet consument is.
3.2.
Voor het antwoord op de vraag of in de hoofdzaak de kantonrechter of de rechtbank absoluut bevoegd is, is de waarde die de vernietigingsvordering vertegenwoordigt van belang (artikel 93, onder b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De kantonrechter is absoluut bevoegd in zaken met vorderingen van onbepaalde waarde, indien er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000. [eiser] heeft de stelling van de Geschillencommissie, dat de bindend advies procedure een vordering betreft van rond € 1.000 niet betwist. Daarmee vertegenwoordigt de vernietigingsvordering die [eiser] heeft ingesteld een waarde van rond € 1.000. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de vernietigingsvordering geen hogere waarde dan € 25.000 vertegenwoordigt. De rechtbank zal daarom deze zaak verwijzen naar de kantonrechter.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Den Haag, op 14 mei 2025 om 10.00 uur;
4.2.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen;
4.3.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge art. 8 lid 4 WGBZ Pro zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2025.
3418