ECLI:NL:RBDHA:2025:7206

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 februari 2025
Publicatiedatum
29 april 2025
Zaaknummer
NL25.7570
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S.A.J. de Jong - Nibourg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

Eiseres, van Poolse nationaliteit, is op 17 februari 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Zij betwistte de rechtmatigheid van deze maatregel en stelde dat zij na het verwijderingsbesluit van 15 maart 2023 opnieuw rechtmatig verblijf in Nederland had verkregen vanwege materiële wijziging van haar omstandigheden, waaronder een vaste verblijfplaats en een onderneming in de ijzerhandel.

De rechtbank oordeelde dat eiseres niet is geslaagd in het aannemelijk maken van deze materiële wijziging. Zij overlegde geen bewijsstukken of verklaringen ter onderbouwing van haar nieuwe verblijfplaats of onderneming. Ook bleef haar inschrijving in de Registratie Niet-Ingeschrevenen ongewijzigd. Het verwijderingsbesluit bleef daarmee van kracht en de bewaring was op juiste wettelijke grondslag gesteld.

Verder stelde eiseres dat de minister ten onrechte geen lichter middel dan bewaring had toegepast, onder verwijzing naar artikel 59, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank volgde dit niet omdat eiseres onvoldoende aannemelijk maakte dat zij zelfstandig naar Polen zou vertrekken en omdat zij geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die een lichter middel rechtvaardigen.

De rechtbank concludeerde dat de zware en lichte gronden voor bewaring niet werden betwist en dat deze voldoende waren om het risico op onttrekking aan toezicht te dragen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7570

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. Guman),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. N. Schoonbrood).

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen A.A. Hrazdij (40213). De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

Vooraf
1. Eiseres stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1992.
De wettelijke grondslag
2. Eiseres voert allereerst aan dat zij niet op een juiste wettelijke grondslag in bewaring is gesteld. Anders dan de minister stelt heeft zij immers wel degelijk rechtmatig verblijf in Nederland. Daartoe stelt eiseres dat zij na het verwijderingsbesluit van 15 maart 2023 opnieuw rechtmatig verblijf in Nederland heeft verkregen omdat de omstandigheden waaronder zij nu in Nederland verblijft, materieel anders zijn dan ten tijde van het verwijderingsbesluit. Zo heeft zij nu een vaste verblijfplaats aan de [adres] te [woonplaats] en heeft zij met haar partner een bedrijfje in de ijzerhandel. Samen halen ze oud ijzer op en dat verkopen ze. Op die manier verdienen eiseres en haar partner hun inkomen. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 22 juni 2021 in de zaak F.S. (het arrest F.S.) (ECLI:EU:C:2021:506) stelt eiseres dat zij door deze materiële wijziging van de omstandigheden haar eerdere verblijf daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd.
2.1.
De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Zoals de minister ter zitting terecht heeft opgemerkt ligt het op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat er zich een materiële wijziging heeft voorgedaan in de omstandigheden. Hierin is eiseres niet geslaagd. Zij heeft immers haar stellingen op geen enkele manier onderbouwd. Documenten of verklaringen van derden over haar nieuwe verblijfsplaats ontbreken en daar komt bij dat het door eiseres genoemde adres niet voorkomt in de Brp en dat eiseres nog altijd staat ingeschreven in de Registratie Niet-Ingeschrevenen (RNI). Ook van de nieuwe onderneming in de ijzerhandel heeft eiseres geen bewijsstukken overgelegd. Datzelfde geldt voor haar gestelde terugkeer naar Polen. Ook daarvan ontbreekt elke onderbouwing. De enkele stelling dat zij ongeveer anderhalve maand is teruggekeerd naar Polen en dat de omstandigheden waaronder zij nu in Nederland verblijft anders zijn dan ten tijde van het verwijderingsbesluit, is onvoldoende om haar daarin te volgen.
2.2.
Het voorgaande betekent dat het verwijderingsbesluit van 15 maart 2023 nog steeds geldt en niet aannemelijk is geworden dat eiseres nadien opnieuw rechtmatig verblijf in Nederland heeft verkregen. Daarmee is eiseres op de juiste wettelijke grondslag in bewaring gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
De zware en lichte gronden
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres de zware en lichte gronden niet betwist en dat eiseres ook niet betwist dat deze gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen. Ook naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden, bezien in samenhang met de daarop in de maatregel gegeven toelichting, het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht dragen.
Artikel 59, derde lid, van de Vw 2000
4. Eiseres voert verder aan dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 59, derde lid, van de Vw 2000. Ze wijst er daarbij op dat ze samen met haar partner vrijwillig naar Polen wil gaan en dat ze daarvoor ook de middelen hebben. Op hun vaste verblijfsplaats in Zaandam ligt € 1.000,00 aan contant geld. Eiseres had in de gelegenheid moeten worden gesteld zelfstandig naar Polen te vertrekken.
4.1.
Ook hierin volgt de rechtbank eiseres niet. De minister heeft zich ter zitting in reactie hierop terecht op het standpunt gesteld dat eiseres met deze enkele verklaring niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daadwerkelijk zelfstandig naar Polen zal vertrekken. De minister heeft terecht erop gewezen dat het verwijderingsbesluit al dateert van 15 maart 2023 en dat dit eerder ook niet heeft geleid tot het zelfstandige vertrek van eiseres. Daar komt bij dat eiseres ter zitting nogmaals heeft benadrukt dat zij en haar partner heel graag in Nederland willen blijven en dat zij in Polen geen toekomst hebben. Gelet hierop is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 59, derde lid, van de Vw 2000 niet voldaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het lichter middel
5. Ook het betoog van eiseres dat de minister had moeten volstaan met de toepassing van een lichter middel dat de inbewaringstelling, volgt de rechtbank niet. Reden daarvoor is dat de minister zich terecht en afdoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval niet met een minder dwingende maatregel dan inbewaringstelling kon worden volstaan. Daarbij heeft te gelden dat de gronden en de daarbij gegeven motivering wijzen op een risico dat eiseres zich aan toezicht zal onttrekken. Ook is in dit kader van belang dat eiseres niet overtuigend heeft gesteld dat een lichter middel voor de daadwerkelijke effectuering van haar vertrek kan volstaan. Evenmin heeft zij bijzondere omstandigheden aangevoerd die zouden moeten leiden tot de toepassing van een lichter middel. Zo is tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling expliciet aan eiseres gevraagd of er sprake is van bijzondere omstandigheden waarom eiseres niet in bewaring zou moeten worden gesteld. Eiseres heeft daarop geen bijzonderheden naar voren gebracht die voor de minister aanleiding hadden moeten vormen een lichter middel dan de inbewaringstelling toe te passen. Dat zij heeft verklaard afscheid te willen nemen van kennissen, is geen bijzondere omstandigheid die maakt dat in weerwil van het hiervoor geschetste onttrekkingsrisico een lichter middel moet worden toegepast.
Conclusie
6. Het voorgaande betekent dat de beroepsgronden niet leiden tot de conclusie dat de bewaring in de te beoordelen periode onrechtmatig is te achten. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank is gehouden, ziet de rechtbank evenmin grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig is geworden.
6.1.
Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6.2.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong - Nibourg, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C.M. Boerboom - Akkermans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.