ECLI:NL:RBDHA:2025:7171
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.S. Gaastra
- Rechtspraak.nl
Bewaring vreemdeling onrechtmatig wegens ontbreken zicht op uitzetting en verkorte vertrektermijn
De minister legde op 13 maart 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend was met zijn uitzetting naar Turkije, terwijl hij al meer dan een maand in bewaring zat zonder zicht op uitzetting.
De rechtbank constateerde dat er weliswaar vertrekgesprekken hadden plaatsgevonden en een verzoek tot terugname en overname was gedaan bij de Turkse autoriteiten, maar dat dit nog niet tot een antwoord had geleid. De minister werd echter verweten dat hij de vertrektermijn van vier weken onterecht had verkort op basis van een verdenking van een misdrijf zonder dit voorafgaand te motiveren in het terugkeerbesluit.
Omdat de vertrektermijn nog niet was verstreken op het moment van inbewaringstelling, was de minister niet bevoegd om eiser in bewaring te stellen. De maatregel was daarom van meet af aan onrechtmatig. De rechtbank oordeelde dat de maatregel moest worden opgeheven en kende eiser een schadevergoeding toe voor 42 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming van €4.200,-. Tevens werden proceskosten van €907,- aan eiser toegekend.
Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven wegens onrechtmatigheid en de minister wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.