Eiser, een Somalische asielzoeker, diende op 7 december 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister wees deze aanvraag op 29 januari 2024 af. De rechtbank behandelde het beroep eerst op 22 februari 2024 en hield de zaak vervolgens aan in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU over de rol van een eerder verleende vluchtelingenstatus in een andere lidstaat.
Na het arrest van het Hof van Justitie van 18 juni 2024 oordeelde de rechtbank dat de minister ten onrechte had aangenomen dat aan de samenwerkingsplicht was voldaan en dat het niet nodig was om het asieldossier in Griekenland op te vragen. Volgens het arrest moet de minister zo spoedig mogelijk informatie uitwisselen met de bevoegde autoriteit van de lidstaat die eerder de vluchtelingenstatus heeft toegekend.
De minister had nagelaten deze informatie-uitwisseling tijdig te verrichten, waardoor het besluit een motiveringsgebrek vertoont. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser.