ECLI:NL:RBDHA:2025:674
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak wegens verantwoordelijkheid Duitsland
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar de minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening verzocht.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 20 januari 2025 behandeld samen met een gerelateerde zaak. Verzoeker was aanwezig met zijn gemachtigde en een tolk, terwijl de minister zich liet vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft in de hoofdzaak het beroep ongegrond verklaard, waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig is. Om die reden wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak ongegrond is verklaard en Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag.