ECLI:NL:RBDHA:2025:6733

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 april 2025
Publicatiedatum
22 april 2025
Zaaknummer
AWB 25-8821
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 5, tweede lid, Wet COAArt. 7, eerste lid, aanhef en onder j RvaArt. 12, tweede lid, Rva
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang na gemiste meldplicht

Verzoekster, die in het bezit is van een asielvergunning en geen asielzoeker meer is, heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het COA om haar opvang te beëindigen. Dit besluit volgt op het niet melden op 1 en 8 april 2025, wat een schending van de meldplicht inhoudt. Verzoekster stelt dat zij afspraken had gemaakt over haar afwezigheid vanwege een bezoek aan haar kinderen in Ethiopië en het ophalen van een huwelijksakte, maar dat deze afspraken niet schriftelijk zijn bevestigd.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het COA terecht de opvang heeft beëindigd op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder j van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva), omdat verzoekster geen ontheffing van de meldplicht had gekregen. De voorzieningenrechter stelt vast dat het COA verzoekster meerdere malen heeft gewaarschuwd en dat zij op eigen risico heeft gehandeld door toch afwezig te zijn.

Er is geen sprake van een acute medische noodsituatie of andere zeer bijzondere omstandigheden die opvang zouden rechtvaardigen. Het beroep tegen het besluit heeft naar voorlopig oordeel geen redelijke kans van slagen. Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de opvang wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/8821

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. Z.M. Alaca),
en
het bestuur van het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COA),verweerder, (gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Bij brief van 15 april 2025 heeft het COA medegedeeld dat de Rva-verstrekkingen van verzoekster worden beëindigd met ingang van 15 mei 2024.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat haar opvang wordt verstrekt totdat op haar beroep is beslist.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, kan, als tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
3. Verzoekster voert aan dat zij in de periode vanaf 26 maart 2025 tot en met 14 april 2025 op bezoek is geweest bij haar kinderen in Ethiopië waardoor zij twee keer haar meldplicht heeft gemist. Zij heeft hierover afspraken gemaakt met verweerder, maar verweerder heeft nagelaten om deze afspraken schriftelijk te bevestigen aan verzoekster. Verzoekster stelt primair dat de opvang ten onrechte door verweerder is beëindigd, gelet op de gemaakte afspraken. Subsidiair is verzoekster van mening dat het bestreden besluit disproportioneel is. Het belang van verzoekster om in de opvang de woning die aan haar toegewezen gaat worden af te mogen af wachten weegt zwaarder dan het belang van verweerder om de opvang te beëindigen. Verzoekster heeft namelijk geen andere plek om te verblijven. Daarnaast had verzoekster goede redenen om een zeer korte periode afwezig te zijn, namelijk het bezoeken van haar kinderen in Ethiopië en om de originele huwelijksakte op te halen die nodig is voor de aanvraag gezinsherening.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
4. In het bericht van het COA van 15 april 2025 is de mededeling aan verzoekster gedaan dat het COA de verstrekkingen beëindigt en dat verzoekster op 15 april 2025 de opvang moet verlaten. Zij heeft zich namelijk op 1 april 2025 en op 8 april 2025 niet gemeld bij het COA. Die mededeling merkt de voorzieningenrechter aan als een handeling van het COA die op grond van artikel 5, tweede lid, van de Wet COA met een besluit gelijk wordt gesteld. Dat brengt mee dat de rechtbank bevoegd is om over het onderhavige beroep een oordeel te geven en dat de voorzieningenrechter het onderhavige verzoek om een voorlopige voorzieningen inhoudelijk zal beoordelen.
5. Verzoekster is in het bezit gesteld van een asielvergunning en daarom is zij geen asielzoeker meer. Verzoekster valt ook niet binnen één van de categorieën die worden gelijkgesteld met asielzoekers. [2] Vanaf het moment dat verzoekster haar asielvergunning kreeg, had zij recht op opvang van de gemeente. In de tijd dat verzoekster moest wachten totdat zij opvang van de gemeente kreeg, ontving verzoekster de verstrekkingen van het COA, waaronder opvang. Niet in geschil is dat het COA daarmee heeft ingestemd conform artikel 12 Rva Pro. [3] Om daar aanspraak op te maken moest verzoekster zich melden bij het COA. [4] Ook is niet in geschil dat verzoekster twee maal niet heeft voldaan aan de op haar rustende meldplicht, te weten op 1 april 2025 en op 8 april 2025. Het COA heeft op 15 april 2025 meegedeeld dat de opvang van verzoekster op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder j van de Rva is geëindigd, omdat zij zich niet heeft gehouden aan de meldplicht als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Rva. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat het hier een kennelijke verschrijving betreft en dat het COA de opvang heeft beëindigd op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder j van de Rva. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat het COA haar een ontheffing van de meldplicht heeft verleend voor haar bezoek aan Ethiopië. In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat verzoekster op 25 februari 2025 te kennen heeft gegeven dat zij op vakantie wil gaan in april. Op 4 maart 2024 heeft het COA te kennen gegeven dat zij hier geen ontheffing voor krijgt. Vervolgens heeft verzoekster op 13 maart 2025 aangegeven dat haar kind ziek is en dat ze daarom naar Ethiopië wil vertrekken. De medewerker van het COA heeft haar toen duidelijk gemaakt dat zij zich dient te melden en dat er geen ontheffing wordt verleend en wat de risico’s voor verzoekster zijn met betrekking tot de huisvesting. Vervolgens heeft verweerder verzoekster meerdere malen gewaarschuwd voor de consequenties van het niet voldoen aan de wekelijkse meldplicht. Verzoekster heeft nagelaten hier gehoor aan te geven en is alsnog vertrokken, zonder dat verweerder een ontheffing van de meldplicht heeft verleend. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter komt dit voor eigen rekening en risico van verzoekster. Het COA heeft dan ook terecht het standpunt ingenomen dat op grond van de Rva het recht op opvang is geëindigd.
6. Ten overvloede, het COA kan in het geval van zeer bijzondere omstandigheden, en voor zover deze niet onder het bereik van artikel 3 Rva Pro 2005 vallen, opvang verlenen in zeer bijzondere omstandigheden die tot feitelijke opvang nopen. Het ontstaan van een acute medische noodsituatie op het moment van beëindigen van de verstrekkingen kan een zeer bijzondere omstandigheid met zich meebrengen. De stelplicht en de bewijslast liggen hier volledig bij de vreemdeling. Niet is gesteld of gebleken dat er sprake is van een acute medische noodsituatie bij verzoekster die gekoppeld is aan de opvangvoorzieningen van het COA.
7. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het beroep tegen het bestreden besluit geen redelijke kans van slagen. Om die reden wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 18 april 2025 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl. Het dictum is telefonisch meegedeeld aan de gemachtigde van verzoeker op 17 april 2025 om 21:19 uur en aan de gemachtigde van verweerder op 17 april 2025 om 21:21 uur.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Zie artikel 1, aanhef en onder d en artikel 3, tweede lid, van de Rva.
3.Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
4.Zie artikel 12 van Pro de Rva.