ECLI:NL:RBDHA:2025:6672

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 april 2025
Publicatiedatum
22 april 2025
Zaaknummer
NL24.39213
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:57 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit met behoud van opvang

Verzoekster heeft bij de minister een aanvraag ingediend op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, welke op 7 oktober 2024 is afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt en vervolgens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek buiten zitting behandeld, omdat partijen hiermee instemden. De minister heeft geen verzet aangetekend tegen het verzoek en heeft zelfs verzocht om het recht op opvang van verzoekster te waarborgen gedurende de bezwaarprocedure.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen, het primaire besluit geschorst en de minister verboden verzoekster uit Nederland te verwijderen zolang de beslissing op bezwaar niet is genomen. Tevens is de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster en is het griffierecht kwijtgescholden wegens onvoldoende draagkracht.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het uitzettingsbesluit wordt geschorst met behoud van opvang tot de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.39213
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster], V-nummer: [V-nummer] , verzoekster
(gemachtigde: mr. N.B. Swart),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2024 heeft de minister de aanvraag van verzoekster om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek zou op 10 april 2025 op zitting worden behandeld. Echter hebben partijen de voorzieningenrechter op voorhand toestemming gegeven om op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de zaak buiten zitting af te doen. De rechtbank heeft daarom het onderzoek op 10 april 2025 gesloten.

Overwegingen

Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan – onder meer – wanneer voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De minister heeft in zijn brief van 8 april 2025 laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening totdat er een beslissing is genomen op het bezwaarschrift. Tevens verzoekt de minister de rechtbank in het dictum op te nemen dat verzoekster haar recht op opvang behoudt.
Nu partijen het er over eens zijn dat van uitzetting van verzoekster in deze fase behoort te worden afgezien en verzoekster haar recht op opvang behoudt, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe en verbiedt de minister om verzoekster uit te zetten, met behoud van opvang, tot de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt.
4. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en een wegingsfactor 1).
5. Het verzoek van verzoekster tot vrijstelling van het griffierecht wordt toegewezen. Zij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij het griffierecht niet kan betalen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • schorst het primaire besluit en verbiedt de minister verzoekster uit Nederland te verwijderen, met behoud van opvang, totdat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M.A.F.C. Lienaerts, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 april 2025

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.