ECLI:NL:RBDHA:2025:6663
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige
Verzoeker diende op 26 januari 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor arbeid als zelfstandige. De minister wees deze aanvraag op 15 februari 2024 af vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het ontbreken van een vrijstelling van het mvv-vereiste. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de minister handhaafde de afwijzing bij besluit van 10 maart 2025.
Verzoeker vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening om het besluit van de minister te schorsen. De voorzieningenrechter oordeelde dat een voorlopige voorziening niet meer nodig was omdat de rechtbank reeds uitspraak had gedaan op het beroep van verzoeker. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.
De voorzieningenrechter besloot dat de minister niet gehouden was de proceskosten van verzoeker te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door mr. G.A. van der Straaten, zonder dat partijen werden uitgenodigd voor een zitting. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.