ECLI:NL:RBDHA:2025:66

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 januari 2025
Publicatiedatum
6 januari 2025
Zaaknummer
23/6105
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van compensatieverzoeken in het kader van de toeslagenaffaire

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 2 januari 2025, wordt het beroep van eiseres tegen de hoogte van de aan haar toegekende compensatie voor het jaar 2005 en de weigering van verweerder om compensatie toe te kennen voor het jaar 2006 beoordeeld. Eiseres, vertegenwoordigd door mr. J.F. Cheung, heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van de Dienst Toeslagen, die haar compensatie voor de jaren 2005, 2007 en 2008 heeft toegekend, maar de aanvraag voor 2006 heeft afgewezen. De rechtbank heeft op 26 september 2024 een zitting gehouden, waarbij partijen hun standpunten hebben toegelicht. Eiseres heeft zich gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2005 tot en met 2008. De rechtbank concludeert dat eiseres recht heeft op een aanvullende compensatie van € 118 voor het jaar 2005, terwijl de afwijzing van de compensatie voor het jaar 2006 terecht is. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van schade voor het jaar 2006, omdat er geen terugvordering heeft plaatsgevonden. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van immateriële schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van proceskosten van € 1.750. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige behandeling van compensatieverzoeken in het kader van de toeslagenaffaire.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6105

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 januari 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J.F. Cheung),
en

de Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de aan haar toegekende compensatie voor het jaar 2005 en de weigering van verweerder om compensatie toe te kennen voor het jaar 2006.
1.1
Verweerder heeft bij afzonderlijke besluiten van 25 juli 2022 het verzoek om compensatie toegewezen voor de jaren 2005, 2007 en 2008 en afgewezen voor het jaar 2006. In het bestreden besluit van 8 augustus 2023 is verweerder gedeeltelijk tegemoet gekomen aan de bezwaren van eiseres voor wat betreft de jaren 2005, 2007 en 2008.
1.2
De rechtbank heeft het beroep op 26 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Verweerder is daarbij in de gelegenheid gesteld om te onderzoeken of en in hoeverre een herberekening van component D tot een hogere compensatie dient te leiden voor het jaar 2005 en eiseres is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.
1.3
Partijen hebben een reactie ingediend. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en een nadere zitting achterwege gelaten.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft zich op 18 januari 2021 bij verweerder gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2005 tot en met 2008.
3. Verweerder heeft onderzocht of eiseres in aanmerking komt voor compensatie en geconcludeerd dat eiseres recht heeft op compensatie voor de jaren 2005, 2007 en 2008.
Voor het jaar 2006 komt eiseres niet in aanmerking voor toepassing van de compensatieregeling of de hardheidscompensatie.
4. Verweerder heeft advies gevraagd aan de Commissie van Wijzen (CvW). De CvW heeft in haar advies van 16 juni 2022 bevestigd dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn voor het jaar 2006. Over dat jaar heeft namelijk geen terugvordering van de kinderopvangtoeslag plaatsgevonden en niet
is gebleken dat verweerder bij de controle over dat jaar in strijd heeft gehandeld met de beginselen van behoorlijk bestuur. Evenmin is gebleken dat sprake is geweest van bijzondere omstandigheden. Voor de jaren 2005, 2007 en 2008 is de compensatieregeling wel van toepassing, aldus de CvW.
5. Bij besluit van 25 juli 2022 heeft verweerder de compensatie voor de jaren 2005, 2007 en 2008 definitief vastgesteld op een bedrag van € 62.666.
6. Bij afzonderlijke besluiten van 25 juli 2022 heeft verweerder het verzoek om compensatie voor het jaar 2006 afgewezen.
7. In het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie (BAC), gegrond verklaard voor wat betreft de einddatum van de immateriële schadevergoeding en de hoogte van de rentevergoeding voor de gemiste kinderopvangtoeslag en voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard. Eiseres ontvangt een nabetaling van € 2.953.
Wat vindt eiseres in beroep?
8. Eiseres vindt dat sprake is van strijd met het beginsel van equality of arms, omdat zij nog steeds niet over het ouderdossier beschikt en verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Eiseres stelt daarnaast dat zij voor het jaar 2005 recht heeft op een aanvullende compensatie van € 476 onder component D van de compensatieberekening. Voor het jaar 2006 heeft zij recht op de hardheidscompensatie, omdat in dat jaar verrekeningen van de kinderopvangtoeslag hebben plaatsgevonden waarbij geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet. Eiseres stelt verder dat zij recht heeft op vergoeding van de wettelijke rente over het forfaitaire compensatiebedrag van € 30.000 en een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De beroepsgrond dat de rentevergoeding voor de gemiste kinderopvangtoeslag over de jaren 2005, 2007 en 2008 niet juist zou zijn berekend, heeft eiseres ter zitting ingetrokken.
Wat vindt verweerder in beroep?
9. Verweerder stelt dat eiseres geen recht heeft op compensatie voor het jaar 2006, omdat er geen vermindering of terugvordering van de kinderopvangtoeslag heeft plaatsgevonden. De verrekeningen die in het jaar 2006 hebben plaatsgevonden en het al dan niet in acht nemen van de beslagvrije voet, zijn niet van belang bij de beoordeling van de vraag of de hardheidsregeling van toepassing is.
Wat is het toetsingskader?
10. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie (Wht) volgt dat verweerder compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem in de periode vóór
23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening. [1]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Op de zaak betrekking hebbende stukken
11. Eiseres heeft aangevoerd dat zij nog steeds niet over het ouderdossier beschikt. De rechtbank overweegt dat zij niet kan oordelen over een vordering om een dossier over te leggen, omdat dit geen besluit of daarmee gelijk te stellen handeling is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
12. Op grond van artikel 8:42 van de Awb dient verweerder wel alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. Onder de op de zaak betrekking hebbende stukken wordt verstaan de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het bestreden besluit. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd en verklaard dat het SAS-overzicht 2005 en het RKT-overzicht 2005 niet beschikbaar zijn. Volgens verweerder is in het geval van eiseres geen sprake geweest van een onterechte O/GS kwalificatie en om die reden kan daarvan geen screenshot worden overgelegd. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om aan de toelichting van verweerder te twijfelen. Eiseres heeft niet concreet aannemelijk gemaakt dat verweerder nog over informatie beschikt die van belang is voor de beoordeling van het bestreden besluit. Van schending van artikel 8:42 van de Awb of het beginsel van equality of arms, is dan ook niet gebleken.
Het jaar 2005
13. Verweerder heeft in zijn brief van 11 oktober 2024 erkend dat aan eiseres € 476 te weinig compensatie is toegekend. Dit bedrag moet volgens verweerder worden opgehoogd met een vergoeding voor de materiële schade en de aanvullende vergoeding van 1% van het totaalbedrag. In totaal heeft eiseres recht op een aanvullende vergoeding van € 601. Maar omdat het onder component I vermelde bedrag van € 483 ten onrechte is gecompenseerd, dient dit bedrag volgens verweerder in mindering te worden gebracht op het bedrag van
€ 601. Eiseres heeft dus recht op een aanvullende compensatie van € 118. Eiseres heeft in haar brief van 31 oktober 2024 aangegeven dat zij zich hiermee kan verenigen. Gelet hierop behoeft dit onderdeel geen verdere bespreking meer. Het beroep is in zoverre gegrond.
Het jaar 2006
14. Uit de memorie van toelichting bij de Wht blijkt dat sprake is van hardheid van het stelsel als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen. [2] Verder blijkt uit de toelichting dat de financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende, die terugbetaling van toeslagen verhinderden, in het algemeen niet zullen leiden tot de conclusie dat diegene gedupeerd is door hardheid van het stelsel. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling. [3] Het al dan niet in acht nemen van de beslagvrije voet bij de invordering dan wel verrekening van toeslagen is dus geen criterium dat meegenomen wordt bij de beoordeling of er sprake is geweest van hardheid. De beroepsgrond van eiseres dat er verrekend is zonder dat daarbij acht is geslagen op de beslagvrije voet, slaagt dan ook niet.
15. Vaststaat dat eiseres voor jaar 2006 niet met een neerwaartse correctie, stopzetting of terugvordering van de kinderopvangtoeslag geconfronteerd is geweest. Om die reden kan dus ook geen sprake zijn van schade als gevolg van het handelen van verweerder als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Van hardheid van het wettelijk stelsel als bedoeld in overweging 14, kan evenmin sprake zijn. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding om eiseres in aanmerking te laten komen voor compensatie over een bedrag dat nooit is teruggevorderd. Het verzoek om compensatie voor het jaar 2006 is dus terecht afgewezen.
Wettelijke rente over het forfaitaire compensatiebedrag
16. Verweerder heeft in de rentevaststellingsbeschikking van 25 september 2024 een bedrag van € 703,16 aan wettelijke rente aan eiseres toegekend. Eiseres heeft ter zitting aangegeven dat verweerder met de rentevaststellingsbeschikking aan haar grond tegemoet is gekomen. Eiseres heeft om die reden geen belang meer bij een beoordeling van deze beroepsgrond.
Immateriële schadevergoeding
17. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is overschreden wanneer de behandeling van het bezwaar en het beroep gezamenlijk langer duurt dan twee jaar. De behandeltermijn vangt aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt en eindigt met de uitspraak van de rechtbank. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding geldt een forfaitair tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. [4] Heeft de procedure tot de uitspraak van de rechtbank langer dan twee jaar geduurd, dan dient vervolgens voor de bezwaar- en de beroepsfase afzonderlijk te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase binnen een half jaar en de beroepsfase binnen anderhalf jaar zou moeten worden afgerond.
18. Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 23 augustus 2022 en daarop beslist bij het bestreden besluit van 8 augustus 2023. Tot de datum van deze uitspraak zijn afgerond twee jaren en vijf maanden verstreken. De overschrijding is volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase, waarin de behandelingsduur met zes maanden is overschreden. Het voorgaande leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn met vijf maanden en daarmee tot een vergoeding wegens geleden immateriële schade van € 500. Gelet hierop zal de rechtbank verweerder veroordelen tot betaling van een vergoeding van immateriële schade aan de zijde van eiseres van € 500.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is gegrond, gelet op wat in overweging 13 is overwogen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover het daarbij gaat om de compensatie voor het jaar 2005. De rechtbank bepaalt dat eiseres voor het jaar 2005 recht heeft op een aanvullende compensatie van € 118.
20. Gelet op het voorgaande is er aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 50 en de proceskosten vergoedt. Verweerder heeft eiseres bij het bestreden besluit al een proceskostenvergoeding toegekend voor de bezwaarprocedure. De hoogte van de proceskostenvergoeding in beroep stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de compensatie voor het
jaar 2005;
- herroept het primaire besluit van 25 juli 2022 voor zover daarin is beslist over het
compensatiebedrag voor het jaar 2005;
- bepaalt dat het compensatiebedrag voor het jaar 2005 wordt verhoogd met een bedrag van
€ 118 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het
bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van
€ 500;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.750;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
2 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p.72.
2.Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 71.
3.Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 72.
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014,