Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2025 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie
Inleiding
:eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiseres, geboren in Nederland en met de Turkse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf met als doel wedertoelating. De minister wees de aanvraag af omdat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat Nederland het meest aangewezen land voor haar is, zoals vereist in artikel 3.92 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De rechtbank behandelde het beroep op 3 maart 2025 en oordeelde dat nieuwe standpunten en beroepsgronden die na de gestelde termijn werden ingediend niet in behandeling konden worden genomen vanwege strijd met de goede procesorde. De rechtbank concludeerde dat eiseres onvoldoende rechtmatig verblijf in Nederland had gehad en onvoldoende banden met Nederland kon aantonen, mede omdat zij vanaf haar achtste in Turkije heeft gewoond, daar heeft gestudeerd en gewerkt, en haar Nederlands onvoldoende beheerst.
Daarnaast verwierp de rechtbank het beroep op artikel 8 EVRM Pro over familie- en gezinsleven met haar vader, omdat eiseres dit onvoldoende had onderbouwd en er geen sprake was van een beschermingswaardige relatie. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf blijft in stand.