ECLI:NL:RBDHA:2025:650
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek beperkte kennisneming derdenverklaringen in asielprocedure
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Minister de asielaanvraag van eiser afgewezen en daarbij twee derdenverklaringen overgelegd die eiser niet mocht inzien. De Minister beriep zich op artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht om deze stukken vertrouwelijk te houden vanwege privacy- en veiligheidsredenen.
Eiser betwistte dit en stelde dat het verzoek onvoldoende gemotiveerd was en in strijd met het Unierecht, verwijzend naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechter-commissaris heeft de stukken bestudeerd en vastgesteld dat het niet om anonieme verklaringen gaat, maar om verklaringen van bij naam bekende derden die bescherming verdienen.
De belangenafweging leidde tot het oordeel dat de privacy en veiligheid van de derden en hun familie zwaarder wegen dan het belang van eiser om de stukken in te zien. Bovendien is de kern van de gronden voor de afwijzing van de asielaanvraag voldoende kenbaar gemaakt aan eiser.
Daarom is het verzoek tot beperkte kennisneming van de stukken gerechtvaardigd. Tegen deze beslissing kan alleen hoger beroep worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen de einduitspraak.
Uitkomst: Verzoek tot beperkte kennisneming van derdenverklaringen is gerechtvaardigd vanwege privacy- en veiligheidsbelangen.