ECLI:NL:RBDHA:2025:6484
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige
Verzoeker heeft op 5 april 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor arbeid als zelfstandige. De minister heeft deze aanvraag op 31 juli 2024 afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het niet zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, maar bij besluit van 14 januari 2025 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd. Verzoeker heeft vervolgens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen omdat de rechtbank inmiddels op het beroep van verzoeker heeft beslist, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. De minister hoeft de proceskosten van verzoeker niet te vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank inmiddels op het beroep heeft beslist.