ECLI:NL:RBDHA:2025:6463

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2025
Publicatiedatum
17 april 2025
Zaaknummer
NL25.14942
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D. Bruinse - Pot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000paragraaf A5/6.8 Vreemdelingencirculaire 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

De minister van Asiel en Migratie legde op 28 maart 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 8 april 2025 via een beeldverbinding.

Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend was in de uitzetting en onvoldoende had gemotiveerd waarom geen lichter middel werd toegepast, mede gelet op de lange duur van dertien maanden bewaring. De minister gaf aan dat de uitzetting wordt voorbereid en dat een vluchtaanvraag was ingediend en goedgekeurd. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende voortvarend handelde en dat de verzwaarde belangenafweging, inclusief de lange duur van bewaring, adequaat was gemaakt.

De rechtbank concludeerde dat er geen grond was om het besluit onrechtmatig te achten en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14942

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Handelt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting?
1. Eiser betoogt dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt welke stappen worden ondernomen om de uitzetting van eiser te realiseren. Hierdoor handelt de minister onvoldoende voortvarend.
1.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op de zitting toegelicht dat de stukken met betrekking tot de uitzetting van eiser niet in het dossier zijn opgenomen, om gevaarlijke situaties te voorkomen. Eiser heeft twee keer eerder de uitzetting gefrustreerd door zichzelf pijn te doen. Eenmaal zelfs door scheermesjes in te slikken. Op de zitting heeft de minister aangegeven dat aan de uitzetting wordt gewerkt en toegelicht dat op 28 maart 2025 een aanvraag voor een vlucht is ingediend en dat op 31 maart 2025 een akkoord op deze aanvraag is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee voldoende heeft toegelicht dat hij voortvarend handelt. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel wordt opgelegd?
2. Eiser betoogt dat de minister onder de verzwaarde belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel is opgelegd. Eiser voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de lange duur van de bewaring. Eiser zit namelijk al dertien maanden in bewaring en zijn belangen dienen zwaarder te wegen dan die van het algemeen belang. Dat eiser zijn eerdere uitzettingen heeft gefrustreerd mag niet tot gevolg hebben dat hij zo lang in bewaring wordt gehouden als nu het geval is.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in de maatregel van inbewaringstelling voldoende gemotiveerd heeft dat in dit geval geen andere afdoende, maar dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft de geschiedenis van eiser en zijn (psychische) gezondheid voldoende betrokken bij de beoordeling van een lichter middel. Doordat de minister de volledige voorgeschiedenis en relevante data betrekt, blijkt dat de minister zich er rekenschap van heeft gegeven dat eiser al lange tijd in bewaring zit. Dat in de verzwaarde belangenafweging niet specifiek de duur van dertien maanden bewaring wordt genoemd doet daar niet aan af. Bovendien volgt uit paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 dat de minister na een aaneengesloten periode van zes maanden vreemdelingenbewaring is gehouden een verzwaarde belangenafweging te maken. De gehele periode van inbewaringstelling, ook indien de vreemdeling krachtens verschillende grondslagen in bewaring heeft gezeten, dient bij deze belangenafweging betrokken te worden. Buiten deze periode is een verzwaarde belangenafweging niet verplicht. De minister had dan ook niet specifiek in deze maatregel de duur van de inbewaringstelling hoeven betrekken. Desondanks heeft de minister wel een verzwaarde belangenafweging gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [1]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.