ECLI:NL:RBDHA:2025:6416
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf bij minderjarige dochter wegens ontbreken familieleven
Eiser, een Indiase nationaliteit dragende man, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland bij zijn minderjarige Nederlandse dochter. De minister van Asiel en Migratie wees dit verzoek af omdat volgens hem geen sprake was van familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Eiser stelde dat hij een affectieve relatie had met de moeder van zijn dochter en dat hij de dochter grotendeels had opgevoed en verzorgd. Ook voerde hij aan dat hij in Nederland een sociaal vangnet heeft en dat terugkeer naar India of Spanje onredelijk zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd van hechte persoonlijke banden met zijn dochter, zoals erkenning of vermelding op de geboorteakte, en dat zijn stellingen niet met stukken waren onderbouwd. De rechtbank bevestigde dat verweerder terecht had geconcludeerd dat er geen familieleven bestond en dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitviel. Ook stelde de rechtbank vast dat de hoorplicht niet was geschonden omdat er geen verplichting was om de minderjarige dochter te horen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter Laagland en griffier Schaap op 11 april 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.