De werknemer trad in maart 2022 in dienst bij de werkgever als logistiek medewerker. Op 22 november 2024 werd een onbeheerde tas gevonden op het bedrijfsterrein met daarin een telefoon en twee envelopjes met harddrugs. De werknemer gaf zich als eigenaar van de tas bekend. De werkgever sprak daarop op 28 november 2024 ontslag op staande voet uit wegens bezit van harddrugs en het schenden van het zero-tolerance beleid.
De werknemer betwistte dat de drugs van hem waren en voerde aan dat de tas van zijn broer was. Ook gaf hij wisselende verklaringen over het bezit van de tas en de telefoon. De werkgever stelde dat de werknemer bekend was met het zero-tolerance beleid en dat hij door zijn verklaringen en gedragingen de arbeidsovereenkomst ernstig had geschonden.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was gegeven. De aanwezigheid van harddrugs in de tas naast de telefoon van de werknemer was voldoende aannemelijk. De wisselende verklaringen en het schenden van gedragsregels maakten het vertrouwen onherstelbaar. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag en wedertewerkstelling werd afgewezen en de werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.