ECLI:NL:RBDHA:2025:5528
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging ondanks psychische problematiek
Eiser, van Turkse nationaliteit, verzocht op 25 april 2024 om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees de aanvraag op 9 januari 2025 af wegens het ontbreken van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij uitzetting.
Eiser stelde onder meer vervolging te vrezen vanwege eerdere strafrechtelijke veroordelingen en beschuldigingen, kritiek op de Turkse regering en afvalligheid van de islam. De minister achtte alleen de identiteit en afvalligheid geloofwaardig, maar niet de overige motieven vanwege gebrek aan onderbouwing en inconsistenties.
De kern van het geschil betrof de zorgvuldigheid van het besluit, met name het ontbreken van medisch advies voorafgaand aan het nader gehoor, terwijl eiser psychische problemen zou hebben. De rechtbank oordeelde dat de minister op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 terecht de rust- en voorbereidingstermijn en het medisch advies kon onthouden omdat eiser overlast veroorzaakte en in een Handhaving- en Toezichtlocatie verbleef.
Het nader gehoor bood geen aanwijzingen dat eiser niet in staat was zijn verhaal te doen. De rechtbank vond dat de minister geen aanvullende medische onderzoeken hoefde te verrichten en dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.