ECLI:NL:RBDHA:2025:5144
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- S. Ketelaars - Mast
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in Dublin-procedure asielaanvraag
Verzoeker, een Turkse nationaliteit hebbende asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie besloot deze aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Oostenrijk verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de asielaanvraag op grond van de Dublin-verordening.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg daarnaast de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een verwante zaak op 17 maart 2025. Verzoeker en zijn gemachtigde waren niet aanwezig op de zitting, terwijl de minister werd vertegenwoordigd.
De voorzieningenrechter oordeelde dat vanwege de gelijktijdige uitspraak op het beroep in de verwante zaak een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de beslissing in de hoofdzaak is genomen.