ECLI:NL:RBDHA:2025:4991
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens nareisbesluit
Verzoekster diende beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. Op 4 september 2024 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoekster haar beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De minister gaf aan bereid te zijn de proceskosten te vergoeden. De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep en dat toewijzing van proceskosten passend was. Gezien de lichte aard van de zaak en het inschakelen van een professionele hulpverlener, werd een wegingsfactor van 0,5 toegepast.
De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van € 453,50 aan proceskosten en tevens het griffierecht. Er was geen noodzaak tot zitting, en de uitspraak werd openbaar bekendgemaakt op 24 maart 2025.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 453,50 aan proceskosten en vergoeding van het griffierecht.