Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:4970

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2025
Publicatiedatum
27 maart 2025
Zaaknummer
NL25.8472 NL25.8475
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwArt. 5.1b VreemdelingenbesluitBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring moeder en minderjarige dochter, toekenning schadevergoeding

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Nigeriaanse moeder en haar minderjarige dochter tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De bewaring was gebaseerd op zware gronden uit de Vreemdelingenwet, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze Nederland binnenkomen en het ontvangen van een overdrachtsbesluit. De minister had de bewaring opgeheven nadat de moeder en dochter waren overgedragen aan Spanje.

De rechtbank oordeelde dat hoewel de zware gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren, de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom niet volstaan kon worden met een lichter middel. De moeder had zich altijd aan haar meldplicht gehouden en had een jong kind, waardoor terughoudendheid bij het opleggen van bewaring geboden was. De rechtbank stelde vast dat de bewaring onrechtmatig was vanaf het moment van oplegging.

Daarom kende de rechtbank een schadevergoeding toe van €600 voor de moeder en €600 voor haar dochter voor zes dagen onrechtmatige bewaring. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.814. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en kent een schadevergoeding toe voor onrechtmatige bewaring van moeder en minderjarige dochter.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.8472 en NL25.8475
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres
mede namens haar minderjarige dochter: [minderjarige] ,V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: S. Kowsari).

Procesverloop

Bij besluiten van 21 februari 2025 (de bestreden besluiten) heeft de minister aan eiseres en haar minderjarige dochter de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 26 februari 2025 de maatregelen van bewaring opgeheven, omdat eiseres en haar dochter zijn overgedragen aan Spanje.
De rechtbank heeft de beroepen op 3 maart 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de bewaring van eiseres en haar dochter rechtmatig was.

Overwegingen

1. Eiseres stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993. Haar dochter is geboren op [geboortedatum] 2024.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig zijn geweest. Op grond van
artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Gronden van de maatregelen van bewaring
3. In de maatregelen van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregelen nodig waren, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiseres zich aan het toezicht zou onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiseres heeft de zware gronden onder 3a, 3k en 3m betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware grond onder 3a feitelijk juist is en voldoende is gemotiveerd. Eiseres is niet op de voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen. Eiseres was bij binnenkomst niet in bezit van de benodigde reisdocumenten. Hoewel eiseres heeft gesteld dat haar paspoort is ingenomen door een mensenhandelaar, doet dit geen afbreuk aan de feitelijke juistheid van deze grond. Ook de zware gronden onder 3k en 3m zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Eiseres heeft een overdrachtsbesluit ontvangen en op 19 februari 2025 is het beroep hiertegen door de rechtbank ongegrond verklaard. Voorts staat vast dat de overdrachtstermijn na 26 februari 2025 zou verlopen.
5. De zware gronden onder 3a, 3k en 3m zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De geschilpunten over de overige gronden behoeven geen bespreking meer. De beroepsgronden slagen niet.
Lichter middel
6. Eiseres stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. Daartoe voert eiseres aan dat zij altijd heeft voldaan aan haar meldplicht. Er was voor de minister, volgens eiseres, geen aanleiding om aan te nemen dat eiseres zou gaan onderduiken of dat zij niet zou meewerken aan haar overdracht aan Spanje. Eiseres heeft een dochtertje van vier maanden en zou ook niet weten waar zij dan heen zou moeten. Eiseres had vanuit het AZC overgedragen kunnen worden aan Spanje.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat er niet kon worden volstaan met een lichter middel. Uit de besproken gronden van de maatregel volgt weliswaar dat bij een vreemdeling, zoals eiseres, op wie de Dublinverordening van
toepassing is, een significant risico op onttrekking bestaat, maar gelet op de omstandigheden van eiseres is daarmee nog niet gegeven dat de minister de eerder aan eiseres opgelegde meldplicht redelijkerwijs niet had kunnen voortzetten tot de overdracht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres zich steeds aan die meldplicht heeft gehouden en dat haar uitlatingen tijdens de met haar gevoerde vertrekgesprekken en in het gehoor voorafgaand aan de bewaring dat zij niet wilde terugkeren naar Spanje, op zich zijn te plaatsen in de context van hetgeen haar eerder in dat land zou zijn overkomen. Bovendien vonden de vertrekgesprekken plaats, voordat de rechtbank uitspraak had gedaan op het beroep van eiseres tegen het overdrachtsbesluit. Voorts had zij een slechts enige maanden oude baby, zodat de maatregelen van bewaring ook daarom uiterst terughoudend hadden moeten worden toegepast. De slotoverweging in de maatregelen onder het kopje “Geen lichter middel” dat uit een Afdelingsuitspraak1 zou volgen dat bij een Dublinclaimant geen lichter middel kan worden opgelegd, omdat in een dergelijk geval geen sprake is van een verplichting tot zelfstandig vertrek, acht de rechtbank een onjuiste interpretatie van die uitspraak. De rechtbank onderkent het belang voor de minister om eiseres en haar dochter vóór het verstrijken van de overdrachtstermijn over te dragen aan Spanje, maar is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat dit enkele belang onder deze omstandigheden zwaarder heeft moeten wegen dan de belangen van eiseres en haar dochter om niet in bewaring gesteld te worden. De beroepsgrond slaagt.
____________
1. De rechtbank gaat ervan uit dat hier is bedoeld de uitspraak van 2 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:436.
Conclusie
8. De beroepen zijn gegrond en de maatregelen van bewaring waren onrechtmatig vanaf het moment waarop zij waren opgelegd.
9. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 6 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 6 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 600,- voor eiseres en een identieke schadevergoeding van 6 x € 100,- voor haar minderjarige dochter, in totaal € 1.200,-.
10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.200,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van R.A. Oelen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 maart 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.