ECLI:NL:RBDHA:2025:4877
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat op grond van de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. De minister had een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat werd aanvaard.
Eiser stelde dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, omdat het een standaardvoornemen betrof en niet op zijn individuele bezwaren werd ingegaan. De rechtbank oordeelde echter dat in dit geval geen sprake was van een zorgvuldigheidsgebrek, omdat de minister adequaat heeft gereageerd op de bezwaren van eiser en in het voornemen alle relevante standpunten had opgenomen.
Eiser voerde verder aan dat Duitsland zich niet houdt aan asielrechtelijke richtlijnen, met name inzake toegang tot rechtsbijstand en het risico van detentie. De rechtbank stelde dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden aangenomen dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt, en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit in zijn situatie anders is. Het AIDA-rapport bevestigt dat asielzoekers in Duitsland zich kunnen laten bijstaan, zij het onder voorwaarden.
Ten slotte overwoog de rechtbank dat de beoordeling van de gegronde vrees voor vervolging in Tunesië niet in deze procedure aan de orde is, maar in de verantwoordelijke lidstaat Duitsland moet plaatsvinden. Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard.