Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Tadzjiekse asielzoeker, diende op 25 januari 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac bleek dat eiser op 2 september 2022 al in Duitsland asiel had gevraagd. Duitsland is op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk voor de behandeling.
Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende had onderzocht en gemotiveerd waarom zijn bezwaren tegen overdracht aan Duitsland niet werden meegenomen, en dat hij vreest voor een schending van zijn rechten bij overdracht. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Duitsland zijn asielaanvraag niet adequaat zal behandelen of dat er een reëel risico is op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro.
De rechtbank concludeerde dat eiser voldoende gelegenheid had gekregen om zijn bezwaren te uiten, dat het standaardvoornemen niet in strijd is met de Awb, en dat het besluit voldoende gemotiveerd is. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.