Eiser diende op 13 november 2024 een asielaanvraag in, die door de minister werd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogde dat zijn identiteit en politieke activiteiten in Marokko geloofwaardig zijn, onderbouwd met documenten en verklaringen.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de identiteit van eiser ongeloofwaardig achtte, omdat eiser geen origineel paspoort kon overleggen en zich bewust van zijn paspoort had ontdaan. Kopieën van documenten werden als onvoldoende bewijs beschouwd. Ook de politieke activiteiten en de problemen die eiser in Marokko zou hebben ondervonden, werden als ongeloofwaardig beoordeeld vanwege tegenstrijdigheden in zijn verklaringen en het ontbreken van samenhangend bewijs.
De rechtbank concludeerde dat de minister de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen en dat er geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Marokko bestaat. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.