Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:4640

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2025
Publicatiedatum
21 maart 2025
Zaaknummer
NL25.10977
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 15 TerugkeerrichtlijnArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie heeft op 22 januari 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, een Marokkaanse vreemdeling geboren in 2003. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het geschil op basis van de stukken beoordeeld.

Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende bewijs had geleverd van rappels aan de Marokkaanse autoriteiten en verwees naar het arrest Mahdi van het Hof van Justitie en artikel 15 van Pro de Terugkeerrichtlijn, waarin is bepaald dat bewaring zo kort mogelijk moet duren. De rechtbank oordeelde echter dat de minister voldoende voortgangsrapportages had overgelegd en dat eiser geen concrete aanwijzingen had gegeven om deze te betwijfelen.

De rechtbank stelde vast dat de minister op 24 januari en 21 februari 2025 vertrekgesprekken met eiser had gevoerd en dat er geen reden was om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbrak. Ook was de bewaring niet onevenredig lang en rustte op eiser de verplichting tot actieve medewerking, waaraan hij niet voldeed.

Gelet op deze omstandigheden was de maatregel van bewaring tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig en was het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10977
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: N. Schoonbrood).

Procesverloop

De minister heeft op 22 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 2003.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 14 februari 2025 (in de zaak NL25.3126) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de
rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert het volgende aan. De minister stelt rappels aan de ambassade te hebben verzonden. Eiser meent dat afschriften van deze rappels overgelegd dienen te worden. Hierbij verwijst eiser naar het arrest Mahdi van het Hof van Justitie. Daarnaast verwijst eiser naar artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. In dit artikel is bepaald dat de bewaring zo kort mogelijk is en niet langer duurt dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van uitzetting.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de feitelijke juistheid van de inhoud van de voortgangsrapportage betreffende de rappels of om daarvoor een nadere onderbouwing te verlangen. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan moet worden betwijfeld dat de minister daadwerkelijk heeft gerappelleerd bij de autoriteiten van Marokko. De rechtbank ziet ook niet welk belang voor de minister daarbij gediend zou zijn. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de informatie in de voortgangsrapportage. Daarnaast heeft de minister op 24 januari 2025 en 21 februari 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. In wat eiser nu heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister eisers uitzetting onvoldoende voortvarend ter hand neemt. Evenmin is de omstandigheid dat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. In het algemeen wordt het zicht op uitzetting naar Marokko aangenomen. Bij de huidige stand van zaken is er ook geen reden om aan te nemen dat de Marokkaanse autoriteiten voor eiser geen laissez-passer zullen verstrekken. De rechtbank is verder van oordeel dat de bewaring niet onevenredig lang duurt. Op eiser rust bovendien de verplichting om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen om zijn beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Uit de met eiser gevoerde vertrekgesprekken blijkt niet dat hij invulling geeft aan die verplichting. De beroepsgronden slagen daarom niet.
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 maart 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.