ECLI:NL:RBDHA:2025:4531
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrechtelijke zaak unieburger
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de ophouding onrechtmatig was vanwege onduidelijkheid over de rechtsgrond en dat hij als Unieburger rechtmatig verblijf had, waardoor de bewaring onrechtmatig zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat de ophouding terecht was gebaseerd op artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet, omdat eiser zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Ondanks dat eiser bekend was bij de overheid, ontbraken identificerende documenten. Daarnaast concludeerde de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief had beëindigd na zijn uitzetting naar België.
De rechtbank verwees naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (22 juni 2021, C-719/19) en stelde vast dat het enkele fysieke vertrek niet volstaat om het verblijf te beëindigen. Omdat eiser regelmatig terugkeerde naar Nederland en geen bewijs leverde van werk in Frankrijk, was de vertrekplicht niet nageleefd.
De rechtbank vond dat verweerder voldoende onderzoek had gedaan naar de verblijfsrechtelijke positie van eiser en dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was. Ook ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de bewaring leidde niet tot een ander oordeel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.