ECLI:NL:RBDHA:2025:426
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep visum kort verblijf
Verzoeker had een visum voor kort verblijf aangevraagd, dat op 28 augustus 2023 werd afgewezen door de minister van Buitenlandse Zaken. Tegen dit besluit maakte verzoeker bezwaar, dat op 4 juni 2024 niet-ontvankelijk werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in tegen het bestreden besluit. Op 7 november 2024 trok verzoeker het beroep in, omdat het visum inmiddels alsnog was verleend, waardoor het belang bij het beroep was komen te vervallen.
Verzoeker verzocht de rechtbank om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De minister stelde dat geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling, omdat niet aan verzoeker was tegemoetgekomen door het bestuursorgaan en het procesbelang niet door toedoen van de minister was komen te vervallen.
De rechtbank oordeelde dat het visum niet vanwege het beroep was verleend en dat daardoor geen sprake was van tegemoetkomen zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Ook was het niet aangetoond wanneer het bestreden besluit kenbaar was gemaakt, maar dit was irrelevant nu het beroep was ingetrokken en het belang was komen te vervallen. Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk ongegrond af.
De uitspraak werd gedaan op 14 januari 2025 door rechter M.J. Schouw en griffier E.C. Jacobs, en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van de proceskosten wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkomen door het bestuursorgaan.