Eiseres, van Eritrese nationaliteit, werd op 24 januari 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister had onvoldoende gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel, terwijl eiseres een meewerkplicht heeft en geen vertrekplicht. De minister ging ten onrechte uit van een vertrekplicht en gaf eiseres geen kans tot medewerking aan haar overdracht.
De rechtbank stelde vast dat de bewaring onrechtmatig was vanaf het moment van opleggen. De minister had onvoldoende onderbouwd waarom een lichtere maatregel niet volstond, mede omdat het vertrekgesprek en de meldplicht eerder waren toegepast. De rechtbank oordeelde dat eiseres niet kon worden verweten niet mee te werken, zeker niet terwijl het beroep tegen het overdrachtsbesluit nog liep.
De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €600 voor zes dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde de minister tot betaling van de proceskosten van €1.814. Het beroep werd gegrond verklaard en de minister werd veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.