ECLI:NL:RBDHA:2025:4180
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen feitelijke uitzetting naar Marokko
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen uitzetting naar Marokko en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld op basis van de ingediende stukken en het vertrekgesprek van 11 maart 2025.
Uit het verslag van het vertrekgesprek blijkt dat verzoeker zich niet verzet tegen zijn uitzetting en dat hij plannen heeft om in Marokko bij zijn familie te gaan wonen en werken. Verzoeker heeft geen rechtmatig verblijf of verblijfsrecht in Italië kunnen aantonen en zijn eerdere asielaanvraag is buiten behandeling gesteld vanwege zijn afwezigheid bij gehoorafspraken.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de medische gronden niet onderbouwd zijn met stukken en dat verzoeker, hoewel jong, meerderjarig is en kan rekenen op familieondersteuning in Marokko. Er zijn geen aanwijzingen dat de uitzetting onrechtmatig is of dat de wijze van uitvoering onzorgvuldig is.
Daarom heeft het bezwaar geen redelijke kans van slagen en is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting naar Marokko is afgewezen.