ECLI:NL:RBDHA:2025:4145

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2025
Publicatiedatum
18 maart 2025
Zaaknummer
NL25.10465
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwArtikel 3.1, tweede lid, onder b, VbArtikel 5.1b, derde lid, VbArtikel 5.1b, vierde lid, Vb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring en schadevergoeding in Dublin-overdracht zaak

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, een Oekraïense nationaliteit, had bezwaar gemaakt tegen de bewaring en tevens een verzoek om schadevergoeding ingediend.

De maatregel van bewaring was opgeheven nadat eiser was overgedragen aan Noorwegen. De rechtbank beperkte haar beoordeling daarom tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest en of schadevergoeding toekwam. De rechtbank stelde vast dat de minister terecht een concreet aanknopingspunt had voor toepassing van de Dublinverordening en dat er sprake was van een significant risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.

Eiser voerde aan dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast, mede omdat hij een opvolgende asielaanvraag had ingediend en de bewaring hem zwaar viel. De rechtbank oordeelde echter dat de minister voldoende had gemotiveerd dat geen lichter middel doeltreffend was en dat het indienen van een nieuwe asielaanvraag juist onderstreepte dat eiser niet wilde meewerken aan overdracht.

De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Ook werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10465

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft op 10 maart 2025 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 11 maart 2025 bepaald dat eisers overdracht naar Noorwegen niet achterwege wordt gelaten op grond van artikel 3.1, tweede lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Verweerder heeft op 11 maart 2025 de maatregel van bewaring opgeheven omdat eiser is overgedragen.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1966 en de Oekraïense nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder terecht overwogen dat een concreet aanknopingspunt bestaat dat eiser onder de Dublinverordening valt. [1] Om die reden heeft verweerder terecht artikel 59a, eerste lid, van de Vw aan de maatregel ten grondslag gelegd.
4. Volgens verweerder bestaat er een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig (lichte gronden) ook voldoende zijn gemotiveerd. Voor deze gronden geldt dat zij de maatregel van bewaring kunnen dragen.
6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen lichter middel dan bewaring heeft toegepast. Eiser heeft op 10 maart 2025 asiel aangevraagd. Hij wilde in vrijheid de uitkomst van deze procedure afwachten. Eiser is op leeftijd en de bewaring valt hem zwaar.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het genoemde risico te ondervangen. Daarnaast heeft verweerder ter zitting terecht opgemerkt dat het indienen van een herhaalde asielaanvraag op 10 maart 2025 onderstreept dat eiser niet wil meewerken aan zijn overdracht aan Noorwegen op 11 maart 2025, nu eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van die aanvraag. Tot slot is – ook met wat eiser in dit verband heeft aangevoerd – niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
8. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig is geweest.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 18 maart 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb.
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.