ECLI:NL:RBDHA:2025:4080

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2025
Publicatiedatum
17 maart 2025
Zaaknummer
NL25.7874 en NL25.7875
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de Dublinverordening, waarbij Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser voerde aan dat overdracht naar Oostenrijk onredelijk hard zou zijn omdat zijn verloofde in Nederland een baan heeft gevonden en daardoor een toekomst in Nederland heeft. Hij verzocht de toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, dat de minister discretionaire bevoegdheid geeft om asielaanvragen aan zich te trekken in bijzondere omstandigheden.

De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden die eiser aanvoert niet voldoende zijn om te spreken van een onevenredige hardheid die toepassing van artikel 17 rechtvaardigt Pro. De stelling dat de verloofde een baan heeft is niet voldoende voor een uitzondering op de overdracht. Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.7874 en NL25.7875
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser/verzoeker], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),
en

de minister van Asiel en Migratie,

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 18 februari 2025 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk ervoor verantwoordelijk is.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1997 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is van mening dat overdracht naar Oostenrijk onredelijk hard is, nu zijn verloofde een toekomst heeft in Nederland omdat zij in Nederland een baan heeft gevonden. Verweerder zou toepassing moeten geven aan artikel 17 Dublinverordening Pro.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening mag verweerder asielaanvragen onverplicht aan zich trekken. Een dergelijke discretionaire bepaling toetst de bestuursrechter volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter zeer terughoudend. Volgens het beleid van verweerder in onderdeel C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 wordt van deze bevoegdheid onder meer gebruik gemaakt in het geval van bijzondere, individuele omstandigheden die getuigen van onevenredige hardheid. Hetgeen eiser heeft aangevoerd, wordt niet aangemerkt als zodanig bijzondere, individuele omstandigheden dat deze maken dat zijn overdracht aan Oostenrijk van een zodanige onevenredige hardheid getuigt waardoor verweerder het asielverzoek aan zich zou moeten trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eisers stelling dat zijn verloofde een toekomst heeft in Nederland omdat zij een baan heeft gevonden in Nederland, is daarvoor niet voldoende.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
7. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [2] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van J. Dommerholt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.