ECLI:NL:RBDHA:2025:4057
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen
Eiser, met Turkse nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.
Eiser betoogde dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was, dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet zonder meer toegepast kon worden vanwege tekortkomingen in het Duitse asiel- en opvangsysteem, en dat hij risico liep op indirect refoulement bij terugkeer naar Turkije als Koerdisch activist.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is op Duitsland, mede gelet op eerdere uitspraken en de internationale verplichtingen van Duitsland. Ook was er geen reden om aan te nemen dat de minister zijn onderzoeksplicht had geschonden.
Ten aanzien van de vrees voor indirect refoulement stelde de rechtbank dat binnen de Dublinprocedure dit niet beoordeeld kan worden tenzij het vertrouwensbeginsel niet meer geldt, wat hier niet het geval was.
De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.