Eiser, een Syrische nationaliteit dragende persoon, diende op 17 november 2023 een asielaanvraag in Nederland in. De minister verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van het vermoeden dat eiser al internationale bescherming geniet in Cyprus, waar hij eerder een asielstatus zou hebben gehad. De minister baseerde dit op Eurodac-gegevens en de verklaringen van eiser, zonder nader onderzoek bij de Cypriotische autoriteiten.
Eiser stelde dat zijn asielstatus in Cyprus was ingetrokken omdat hij een reguliere verblijfsvergunning had verkregen op basis van zijn huwelijk met een Cypriotische staatsburger. Hij overlegde een kopie van deze vergunning en een mailcorrespondentie met de Cypriotische ambassade ter onderbouwing. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende gemotiveerd had waarom zij dit bewijs niet aannam en dat zij had moeten onderzoeken of de internationale beschermingsstatus daadwerkelijk nog bestond.
De rechtbank stelde vast dat Eurodac geen datum van toekenning van internationale bescherming vermeldde, wat in lijn is met het standpunt van eiser dat zijn asielstatus is beëindigd. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Cyprus rechtvaardigt het vertrouwen in Eurodac, maar de minister had op grond van vaste rechtspraak een vergewisplicht en had nader onderzoek moeten verrichten.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen, rekening houdend met de uitspraak. Tevens werd eiser een proceskostenvergoeding toegekend. De belangen van het minderjarige kind van eiser werden niet inhoudelijk beoordeeld omdat het beroep reeds gegrond werd verklaard op andere gronden.