ECLI:NL:RBDHA:2025:3942
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens risico op onttrekken aan toezicht
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van 5 maart 2025 tot oplegging van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet. Eiser, met de Poolse nationaliteit, betwistte alle zware en lichte gronden voor bewaring en voerde aan bereid te zijn Nederland zelfstandig te verlaten, maar financieel niet in staat te zijn om tijdig te reizen.
De rechtbank oordeelde dat de zware gronden 3b en 3c feitelijk juist zijn: eiser verbleef onrechtmatig in Nederland en had zijn verblijfsrecht ingetrokken gekregen zonder tijdig te vertrekken. Het niet onderbouwde voornemen tot vertrek deed hieraan niet af. De lichte gronden behoefden geen bespreking omdat de zware gronden voldoende waren.
Eiser stelde dat een lichter middel passend was, gezien zijn financiële middelen en bereidheid tot vertrek. De rechtbank vond echter dat het risico op onttrekken aan toezicht en het niet-naleven van de vertrektermijn een zwaardere maatregel rechtvaardigden. Er waren geen feiten die de bewaring onredelijk bezwarend maakten.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen dit vonnis staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.