ECLI:NL:RBDHA:2025:3912
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Veroordeling minister in proceskosten wegens niet tijdig beslissen op aanvraag vreemdeling
In een eerdere uitspraak heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag gegrond verklaard en de minister een beslistermijn van acht weken opgelegd met een dwangsom voor overschrijding.
In deze procedure stond het verzoek van eiser centraal om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank stelt vast dat de minister alsnog een besluit heeft genomen op de aanvraag van 31 augustus 2022 tijdens het beroep.
De minister voerde aan dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat de dwangsom nog niet volledig verbeurd was bij indiening. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde echter dat een opvolgend beroep ontvankelijk is zolang de dwangsom nog niet volledig is volgelopen.
Gelet hierop acht de rechtbank het beroep ontvankelijk en wijst het verzoek tot vergoeding van proceskosten als kennelijk gegrond toe. De proceskosten worden vastgesteld op € 453,50, gebaseerd op de puntenregeling uit het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van dit bedrag aan eiser.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 453,50 aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen.