Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel 'familie en gezin', waarbij hij zich beroept op zijn vermeende broer, de referent, die een alleenstaande minderjarige vluchteling is met een verblijfsvergunning.
De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk de broer is van de referent. De door eiser overgelegde Somalische documenten worden door de minister niet erkend als officiële documenten en bovendien betreft het kopieën die niet op echtheid konden worden onderzocht. Een DNA-onderzoek, gestart door de minister om de familierechtelijke betrekking vast te stellen, kon niet worden uitgevoerd omdat eiser niet verscheen.
Eiser betoogt dat de documenten voldoende bewijs vormen en dat de minister onterecht het soevereiniteitsbeginsel heeft geschonden door Somalische documenten niet te erkennen. Ook stelt hij dat de minister had moeten wachten op de beschikbaarheid van originele documenten en dat zijn belangen geschaad worden door een strenger toetsingskader bij een nieuwe aanvraag.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de documenten niet als officieel erkent en dat het DNA-onderzoek noodzakelijk was. Het niet verschijnen van eiser maakt dat de identiteit en familierechtelijke betrekking niet is vastgesteld. De minister heeft voldoende gelegenheid geboden tot onderzoek en heeft niet gehandeld in strijd met het soevereiniteitsbeginsel of de samenwerkingsplicht. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.